Overslaan en naar de inhoud gaan

Auteur: Geerhard Bolte

Urinoir 'Fountain' R. Mutt 1917’ Marcel Duchamp

Ben jij een auteur of een oplichter?

Als je je boek laat schrijven door ChatGPT of Claude, ben je dan een auteur of een oplichter? Een dilemma en een oplossing. 

Ik ontvang inmiddels met grote regelmaat boekvoorstellen en manuscripten die voor het grootste deel blijken te zijn geproduceerd door AI. Geen woord hierover in de tekst of in de begeleidende mail. Begrijp me niet verkeerd: ik heb geen principiële bezwaren tegen het gebruik van AI, ik gebruik het zelf ook, maar zonder toelichting heb ik toch het gevoel dat ik in gesprek ben met een heler die me met een grijns op zijn gezicht een gestolen manuscript probeert aan te smeren. 

Is het acceptabel om AI te gebruiken voor het schrijven van boeken? Ik vind van wel, maar we hebben volgens mij wel een paar nieuwe spelregels nodig. Gelukkig zijn die al meer dan honderd jaar geleden bedacht in de kunstwereld. 

Een urinoir als kunstwerk

Op 10 april 1917 ontving de organisatie van een kunsttentoonstelling in New York een porseleinen urinoir als inzending. Het kunstwerk met de titel ‘Fountain’ was gesigneerd: ‘R. Mutt 1917’, een onbekende kunstenaar. Een krappe meerderheid van de commissieleden van de vereniging die de tentoonstelling organiseerde, vond het werk ongepast en weigerde het tentoon te stellen. Tot woede van kunstenaar Marcel Duchamp, die opstapte als commissielid. De bekende fotograaf en kunstliefhebber Alfred Stieglitz maakte op verzoek van Duchamp nog een foto van het urinoir, die Duchamp publiceerde in zijn tijdschrift The Blind Man. De foto was voorzien van een felle verdediging van de inzending: ‘Whether Mr Mutt with his own hands made the fountain or not has no importance. He CHOSE it.’ De inzending van het urinoir werd jarenlang toegeschreven aan Duchamp zelf, inmiddels wordt vermoed dat het is ingezonden door iemand anders. 

Klinkt dit bekend? Ergernis over een fabrieksmatig object dat geen kunst zou kunnen zijn? Precies, het is dezelfde discussie die op dit moment wordt gevoerd over de morele legitimiteit van AI-teksten. Waar ligt de grens? Mag je een tekst laten schrijven door ChatGPT of Claude? Kan zo’n tekst aantrekkelijk zijn? En wat is dan jouw rol als leverancier van die tekst: ben je een auteur of een IT’er die content heeft geleverd? Of, zoals het in de publieke opinie wordt gezien: een auteur of een oplichter? 

In de kunstwereld is sinds de inzending van het urinoir langzaam maar zeker een oplossing voor dit dilemma gevonden door afscheid te nemen van het idee dat alleen telt wat je ziet of leest. Dadaïsten als Duchamp ontkoppelden het ambacht van het idee. Ook het concept, de keuze, de context en de rol van de kunstenaar en het publiek kunnen deel uitmaken van het werk. Deze visie is later tot in het extreme doorgevoerd in de conceptuele kunst. Kunstenaars gingen zich zelfs beperken tot het bedenken van het concept en lieten de uitvoering over aan medewerkers, musea of zelfs hun publiek. Daarmee is een interessant onderscheid ontstaan tussen bedenken en maken, idee en uitvoering, maker en uitvoerder. Hoe helpt dit ons, bezorgde boekenliefhebbers?

Door de plee spoelen

In het geval van boeken kun je sinds de opkomst van AI ook een onderscheid maken tussen de auteur als schepper van de boodschap, en de schrijver als producent van de woorden. Anders gezegd: misschien moeten we een tekst niet uitsluitend beoordelen op de woorden die er staan maar bijvoorbeeld ook op de reden waarom iemand ze heeft geschreven (lees: laten schrijven)? 

Ik denk dat het antwoord op deze vraag ja is, en de oplossing vormt van ons dilemma. Een tekst hoeft zijn betekenis niet uitsluitend te ontlenen aan de woorden die de schrijver zelf heeft geproduceerd, hij kan ook voortkomen uit de bedoeling van de auteur, de keuzes die hij tijdens het proces maakt en de context waarin hij het resultaat plaatst. 

Een urinoir zonder betekenis, context of publiek is alleen geschikt als toilet. Op een tentoonstelling krijgt datzelfde toilet echter een andere betekenis als het bijvoorbeeld wordt gepresenteerd als verzet tegen traditionele kunstopvattingen. Hetzelfde geldt voor AI-teksten. Een gedachteloos gegenereerde tekst is niet meer dan een verzameling woorden. Maar een AI-tekst die bewust is geconstrueerd om een idee van een auteur uit te drukken, is meer dan een verzameling woorden, het is de schepping van een auteur. En daarmee dus ook geschikt als boek. 

De vraag zou volgens mij niet alleen moeten zijn: kan AI even goede teksten schrijven als mensen. De vraag zou ook moeten zijn: is de kwaliteit van een tekst uitsluitend een eigenschap van die tekst? Het antwoord op deze vraag is volgens mij nee. Beeldend kunstenaars hebben duidelijk gemaakt dat herkomst, intentie en context mede kunnen bepalen welke betekenis en waarde we aan een kunstwerk moeten toekennen. 

Robots maken geen Rembrandt

Een robot kan misschien ooit schilderen met de technische virtuositeit van Rembrandt. Daarmee heeft hij nog geen Rembrandt gemaakt. En AI kan vroeg of laat misschien een kinderboek produceren dat stilistisch niet onderdoet voor Annie M.G. Schmidt. Daarmee hebben we nog geen nieuwe Annie M.G. Schmidt. Technische kwaliteit en auteurschap zijn twee verschillende dingen. Je kunt thuis wel een banaan met ducttape aan de muur plakken, maar daarmee heb je nog geen Cattelan in huis. Het materiaal en de uitvoering kunnen identiek zijn; het auteurschap is dat niet.

Een boek krijgt betekenis, als de auteur betekenis heeft gegeven aan zijn schepping. Een auteur hoeft niet alle woorden zelf te hebben geschreven. Maar hij moet wel duidelijk kunnen maken waar zijn auteurschap dan wél uit bestaat. Een schrijver wordt bijvoorbeeld meer auteur als hij de gedachte van het boek heeft bepaald, als hij kritische vragen heeft gesteld waar hij een antwoord op zoekt, als hij eigen materiaal heeft aangedragen, als hij een selectie heeft gemaakt uit aangeboden teksten, als hij het resultaat heeft geredigeerd en bovenal: als hij publiekelijk openbaart en toelicht: dit is wat ik heb gedaan en dit is wat ik wil zeggen. 

Kunstenaars, musea en kunstverkopers geven tegenwoordig standaard informatie over de kunstenaar, het jaartal, het materiaal, de ontstaanscontext en vaak een toelichting op het werk. Als uitgever (en lezer) wil ik dat soort informatie ook. Ik wil niet alleen de zinnen kunnen beoordelen, maar ook het auteurschap van de persoon die het manuscript heeft gestuurd. Wat heeft deze auteur bedacht? Wat heeft hij onderzocht? Welke keuzes heeft hij gemaakt? Wat heeft AI toegevoegd? Wat heeft hij geselecteerd en geredigeerd? Waarvoor draagt hij intellectuele verantwoordelijkheid? 

Twee spelregels

In het begin van mijn blog schreef ik dat er nieuwe spelregels nodig zijn. Volgens mij hebben we de volgende twee dringend nodig: 

Spelregel 1: Wie zich de auteur van een tekst noemt, moet zelf een wezenlijke scheppende bijdrage hebben geleverd.

Spelregel 2. Een auteur moet transparant zijn over de herkomst, intentie en context, zodat uitgever en lezer zijn auteurschap kunnen beoordelen.

Als je je houdt aan deze twee spelregels ben je een auteur. Anders ben je een oplichter. 

PS           Ben ik zelf een auteur of een oplichter? Oordeel zelf. Ik heb dit artikel zelf geschreven. Wel heb ik AI gebruikt om na te lezen hoe het ook al weer zat met het urinoir en Duchamp. Ook heb ik AI gebruikt als klankbord om de structuur en de argumenten in het betoog te ordenen. 

Wat maakt dit boek geweldig? #1 – Made to stick

Wat maakt dit boek geweldig? #1 – Made to stick

Er zijn non-fictieboeken die je nooit vergeet. In elke aflevering van deze nieuwe serie neem ik zo’n boek onder de loep. Wat hebben de auteurs gedaan waardoor je blijft lezen, alles begrijpt en niets vergeet? En wat kunnen wij gewone stervelingen daarvan leren? Om te beginnen: Made to stick van Chip en Dan Heath. 

Een vriend van een vriend van mij dronk een borrel in een bar op het vliegveld. Een aantrekkelijke vrouw vroeg hem of hij er nog een lustte. Hij nam een slok, en dat was het laatste wat hij zich herinnerde voordat hij wakker werd in een badkuip in een hotel, zijn lichaam onder het ijs. Naast hem lag een briefje en een telefoon met de tekst ‘Beweeg je niet, bel het alarmnummer’. De politie wist meteen wat er was gebeurd: iemand had een van zijn nieren verwijderd. 

Met deze mythe begint de inleiding van het boek Made to stick van de broers Chip en Dan Heath. Het boek verklaart waarom sommige ideeën blijven hangen en andere vrijwel onmiddellijk uit ons hoofd verdwijnen. Het is een toepasselijk boek om deze serie mee te beginnen, om twee redenen. In de eerste plaats is het een geweldig boek omdat het elke ambtenaar, ondernemer of manager helpt om voortaan verhalen te vertellen die je niet meer vergeet. In de tweede plaats omdat het auteurs van non-fictieboeken helpt om boeken te schrijven die hun lezers niet meer zullen vergeten. De zes redenen waarom je het verhaal van de nierdiefstal niet vergeet, zijn dezelfde redenen die een boek geweldig maken. Ik verklap ze alvast: een idee dat blijft hangen is Simple, Unexpected, Concrete, Credible, Emotional en bevat Stories. Oftewel: SUCCES.

Broodjeaapverhaal

De auteurs hebben niet alleen goed advies voor ons, de lezers, maar ze brengen het zelf ook in de praktijk. Zo is het SUCCES-model niet alleen een geheugensteun, maar vormt het ook de structuur van het boek. En het boek zit boordevol verhalen, allemaal even simpel, onverwacht, concreet, geloofwaardig en emotioneel als het broodjeaapverhaal over de nierdiefstal. En ze plakken allemaal. Terecht vergelijken de Heaths sterke verhalen met de gebruikelijke prietpraat die je elke dag leest in rapporten en hoort tijdens presentaties: ‘Uitgebreide gemeenschapsopbouw leent zich van nature voor een rendements-op-investeringsaanpak, die kan worden weergegeven in modellen op basis van praktijkervaring…’ Wat denk je dat mensen makkelijker onthouden, vragen de Heaths uitdagend.

De verhalen zijn geen kerstballen in een verder saaie groene boom, integendeel. De verhalen vormen het kloppende hart van elk hoofdstuk. De theorie is er wel degelijk, elk principe wordt keurig benoemd en uitgewerkt, maar je merkt er weinig van, omdat het kwartje meestal al is gevallen voordat de uitleg begint. Dat is misschien wel de knapste truc van het boek: de Heaths leggen je vrijwel niets uit wat je zelf niet al bijna had bedacht.

Tik eens Happy birthday

De Heaths stellen onomwonden dat iedereen het kan: plakkende verhalen vertellen. Ze weten ook waarom het zo vaak misgaat. De Heaths noemen dit de ‘Curse of Knowledge’: zodra je iets weet, kun je je nauwelijks meer voorstellen hoe het is om het niet te weten. Veel auteurs lijden daar ook aan. Ze willen zoveel vertellen dat de essentie ondergesneeuwd raakt. 

De stelling wordt onderbouwd met een experiment van psychologe Elizabeth Newton. Proefpersonen werden door haar verdeeld in ‘tappers’ en ‘listeners’. De tappers moesten het ritme van een bekend liedje met hun vingers op tafel tikken. De luisteraars moesten raden welk liedje het was.

Vooraf denken de tappers dat de luisteraars ongeveer de helft van de liedjes zullen herkennen. In werkelijkheid wordt maar ongeveer één op de veertig goed geraden. De verklaring is even eenvoudig als belangrijk. De tapper hoort tijdens het tikken Happy birthday in zijn hoofd. De luisteraar hoort alleen een reeks tikken.

De Heaths hadden het bij de uitleg van de vloek van kennis kunnen laten, maar doordat ze er een concreet experiment aan koppelen, weet je jaren later nog wat ermee wordt bedoeld.

Pritt-stift

De verhalen zijn zo sterk, dat je bijna zou vergeten dat het boek ook een briljante titel heeft. Made to stick is een titel die, nou ja, blijft plakken. Wat de titel en de auteurs extra diepgang geeft, is de bekentenis van de auteurs dat ze de titel te danken hebben aan bestsellerauteur Malcolm Gladwell die in een boek ook schreef over verhalen die ‘plakten’. 

De uitgeverij van de Nederlandse editie had een lastige uitdaging bij het vertalen van de titel, maar het resultaat (De plakfactor) is wat mij betreft een dikke voldoende. En de Amerikaanse omslag was origineel, dankzij de ducttape op de cover, maar niet zo origineel als de Nederlandse cover van Studio Jan de Boer, met een afbeelding van de overbekende Pritt-stift. Knap dat ze daar toestemming voor kregen van producent Henkel. 

Amerikaans

Made to stick is dus een verhalenboek, maar tegelijkertijd een heel praktisch boek. Het brengt je op ideeën. De auteurs helpen je daarbij een handje. Alle hoofdstukken bevatten oefeningen waarin een communicatie-uitdaging van een organisatie wordt gepresenteerd. Ze presenteren vervolgens steeds twee oplossingen en analyseren hoe deze scoren op de zes kenmerken van sterke verhalen.

En dan zou ik bijna vergeten om te vertellen dat dit boek heel goed is geschreven. De Heaths behandelen onderzoek uit de psychologie en communicatiewetenschap, maar je hebt vrijwel nooit het gevoel dat je een wetenschappelijk of theoretisch boek leest. Sommigen noemen hun toegankelijke stijl ‘Amerikaans’, en dat klopt. Maar ik zie dat als een compliment, niet als kritiek. Het tegenovergestelde is namelijk absurd: waarom zou een saai geschreven boek beter zijn dan een aantrekkelijk geschreven boek. 

Made to stick laat zien hoe je ervoor zorgt dat je lezer (of luisteraar) je boodschap nooit meer vergeet. Daarom verdient elk boek het SUCCES van Made to stick.

PS

Muziekliefhebbers hebben vast bedacht door wie ik mij heb laten inspireren voor deze serie: Rick Beato. Op YouTube heeft Beato miljoenen volgers aan zich gebonden met zijn geweldige interviews met muzikanten en zijn analyses, onder andere in de serie What makes this song great. Ik heb zijn idee dankbaar overgenomen: beter goed gejat dan slecht verzonnen. Je vindt zijn kanaal onder zijn eigen naam: Rick Beato. 

Boekpromotie

Zo verkoop je de eerste duizend exemplaren van je boek

Het verkopen van de eerste duizend exemplaren van je boek lijkt een onmogelijke opgave. Tot je gaat rekenen.

Ik wil je niet teleurstellen, maar er is een theoretische kans dat jouw boek niet vanzelf een bestseller wordt. Misschien krijg je geen uitnodigingen voor talkshows, geen paginagrote interviews in de krant en staan er geen rijen lezers voor de boekhandel. In dat geval heb je een plan B nodig om ervoor te zorgen dat je boek toch wordt gelezen en verkocht. Gelukkig heb ik zo’n plan B voor je.

Een waarschuwing vooraf: het is geen succesformule waarmee je slapend rijk wordt. Mijn aanpak kost belachelijk veel tijd, energie en doorzettingsvermogen. Maar anders dan de meeste succesformules heeft het één groot voordeel: het werkt.

Mijn plan werkt omdat het is gebaseerd op de kracht van persoonlijke relaties. De meeste auteurs denken bij de verkoop van hun boek aan onbekende lezers, maar ze vergeten de honderden mensen die ze al kennen. Je netwerk is veel groter dan je denkt. Volgens de Britse antropoloog Robin Dunbar onderhouden veel mensen al vlug 150 stabiele sociale relaties, maar daaromheen bevinden zich nog veel grotere kringen: oud-collega’s, studiegenoten, klanten, opdrachtgevers, buren, leveranciers en kennissen. 

De eerste duizend lezers van je boek hoef je dus niet ergens in de verte te zoeken. De kans is groot dat het grootste deel ervan zich al ergens in jouw directe omgeving bevindt. Thuis, op het werk en online. Je moet ze wel aanspreken en vragen of ze een boek van je willen kopen. En ja: letterlijk:

‘Ik heb een boek geschreven over de honderd gezondste gerechten ter wereld. Ik probeer uit alle macht de eerste duizend exemplaren te verkopen. Help je mij?!’

Familie: 25 exemplaren

Je eerste lezers hoef je waarschijnlijk niet ver te zoeken. Ouders, broers, zussen, kinderen, neven of nichten: een aantal familieleden zal je boek alleen al kopen omdat ze trots zijn dat jij het hebt geschreven. Dat zijn misschien niet altijd de meest kritische lezers, maar wel de makkelijkste.

Vrienden: 25 exemplaren

Goede vrienden weten hoeveel tijd en energie je in je boek hebt gestoken. Ze hebben de verhalen gehoord, de twijfels meegemaakt en misschien zelfs meegelezen. Natuurlijk kopen ze je boek niet allemaal, maar je hebt vast een aantal vrienden dat je wil steunen met het kopen van een of meerdere exemplaren.

Kennissen, buren en verenigingen: 50 exemplaren

De buren, mensen van de sportclub, de wandelgroep, de zeilvereniging of de ouders die je kent via je kinderen: je sociale kring is veel groter dan je denkt. Ze kennen je persoonlijk en gunnen je vast een succesvolle start van je boek. 

Collega’s en management: 50 exemplaren

Als je een non-fictieboek schrijft als werknemer, is de kans groot dat je onderwerp raakt aan je werk. Je huidige collega’s en je managers weten waar je deskundigheid ligt en begrijpen waarom je dit boek hebt geschreven. Vraag aan je collega’s of ze een exemplaar willen kopen, en aan het management of het een hele stapel wil kopen, en beloof ze desnoods dat je nu bij ze in het krijt staat. Alles voor het goede doel. 

Oud-collega’s: 25 exemplaren

Onderschat deze groep niet. Na tien, twintig of dertig jaar werken heb je vaak bij meerdere organisaties gewerkt en met honderden mensen contact gehad. Je boek is een mooie reden om opnieuw contact te leggen.

Klanten en opdrachtgevers: 100 exemplaren

Voor veel non-fictieauteurs is dit de belangrijkste groep. Als mensen eerder bereid waren om voor jouw kennis, advies of ervaring te betalen, is de stap naar je boek klein. Als je inzet ook maar een greintje goodwill heeft opgeleverd, zijn ze vast bereid om de portemonnee te trekken. Benadruk dat ze die boeken ook kunnen gebruiken als relatiegeschenk of incentive. 

Leveranciers en zakelijke contacten: 50 exemplaren

Je accountant, vormgever, samenwerkingspartners of mensen met wie je jarenlang projecten hebt gedaan: ook zij horen bij je netwerk. Veel auteurs vergeten hoeveel professionele relaties ze hebben opgebouwd; relaties waarbij jij jarenlang hebt gezorgd voor brood op de plank, dus vragen of ze een boek willen kopen is niet opdringerig. 

Socialemediacontacten: 50 exemplaren

Veel mensen die je volgen op LinkedIn, Instagram of Facebook kennen jou misschien niet persoonlijk, maar ze hebben wel een band met jou, waarschijnlijk een band die een directe relatie heeft met het onderwerp van je boek. Maak geen platte reclame voor je boek, maar deel actief ideeën, voorbeelden en verhalen uit je boek en vraag of ze je boek willen kopen. 

Oud-studiegenoten en docenten: 25 exemplaren

Je oude universiteit, hogeschool of opleiding vergeet je makkelijk, maar daar heb je docenten en studenten leren kennen met dezelfde achtergrond en interesses.

Nieuwsbrief, website of blog: 50 exemplaren

Heb je door de jaren heen een eigen publiek opgebouwd met een nieuwsbrief, een website of een blog, dan heb je een groot voordeel. Deze mensen kennen je ideeën al. Een boek is dan geen koude verkoop, maar een logische volgende stap in de relatie.

Lezingen en workshops: 200 exemplaren

Hier zit de kracht van veel non-fictieboeken. Tien lezingen waarbij twintig mensen een boek kopen, en je hebt al tweehonderd lezers bereikt. Bovendien zijn dit vaak de lezers die je boek daarna aanbevelen aan anderen. En nee, niemand organiseert die lezing voor je. Kom in actie, regel een zaaltje en stuur uitnodigingen. 

Podcasts, interviews en vakmedia: 50 exemplaren

Denk voor de promotie van je boek niet meteen aan nationale televisie. Een vakblad, branchepodcast of -nieuwsbrief kan veel effectiever zijn, omdat je precies de mensen bereikt voor wie je het boek hebt geschreven.

Opleidingen en trainingen: 50 exemplaren

Zoek één docent, trainer of opleider die jouw boek wil gebruiken, en je hebt zomaar vijftig lezers te pakken. Zeker praktische non-fictie heeft hier veel kansen.

Boekhandels: 250 exemplaren

Deze exemplaren krijg je van mij cadeau. Ook als je boek geen hit wordt, verkoop je vast 250 exemplaren via de boekhandel als je boek beschikbaar is via alle reguliere kanalen. Daar heeft je uitgever vast voor gezorgd. 

Let op: je hoeft deze duizend lezers natuurlijk niet allemaal één voor één op te sporen en met een boek onder je arm langs de deuren te gaan. Het geheim is juist dat je mensen combineert. Nodig familie, vrienden, collega’s, klanten en zakelijke relaties uit voor dezelfde boekpresentatie. Geef een lezing voor een branchevereniging waar vijftig potentiële lezers tegelijk in de zaal zitten. Zoek één organisatie die twintig boeken koopt in plaats van twintig mensen die één boek kopen.

Aanpakken is de kracht van deze aanpak. Twintig keer vijftig boeken verkopen? Dat klinkt als werk. En als je een boek hebt geschreven, dan ben je niet vies van werk. Kom in actie en regel die eerste duizend exemplaren. Grote kans dat er vervolgens een herdruk nodig is. 

Shutterstock | Markos Loizou

Hongerige AI-tools lusten je boek rauw

Mag Big Tech jouw boeken scannen, gebruiken voor het trainen van AI-tools en jouw kennis verkopen? Natuurlijk mag dat niet. Maar het gebeurt toch.

AI-bedrijven als Anthropic en Meta hebben stiekem op grote schaal boeken gekocht, gescand en gebruikt voor het trainen van hun AI-tools. De boeken worden vernietigd, en de kennis eruit wordt schaamteloos aangeboden aan de abonnees van hun tools. In januari van dit jaar meldde The Washington Post op basis van openbare processtukken dat Anthropic al sinds 2024 in het geheim boeken opkoopt bij tweedehands boekhandels en bibliotheken. ‘Met Project Panama willen we alle boeken ter wereld destructief scannen en we willen niet dat bekend wordt dat we hieraan werken’, citeerde de krant uit een intern bedrijfsdocument. BNR meldde eind juni dat ook Nederlandse antiquariaten bestellingen ontvangen van Big Tech. 

De eerste berichtgeving legde de nadruk op tweedehandsleveranciers zoals Better World Books en World of Books. Later bleek uit de processtukken dat Anthropic ook nieuwe boeken had betrokken via reguliere groothandels, waaronder Ingram en Baker & Taylor.

Heb je een boek geschreven? Zo ja, dan is er een (kleine) kans dat ook jouw boek is ingeslikt en uitgespuugd door Big Tech. Het mag niet, want daarmee wordt jouw auteursrecht geschonden, maar er is weinig dat je ertegen kunt doen. Meerdere uitgeverijen (zoals Macmillan, Hachette Book Group en Elsevier) en auteurs (zoals John Grisham, Jonathan Franzen en David Baldacci) hebben rechtszaken aangespannen. Er zijn al schikkingen getroffen met auteurs, maar duidelijke uitspraken zijn er nog niet geweest. 

Het illegale gebruik van boeken en andere content is schandalig, maar tegelijkertijd profiteren we allemaal van de voordelen van tools als ChatGPT en Claude. Hoe kan dit probleem worden opgelost? 

Niet blij

Als uitgeverij sluiten wij een eenvoudige deal met auteurs. Wij krijgen gedurende de loop van een overeenkomst het ‘licentierecht’ om een manuscript in de vorm van een boek, een e-book of een audioboek te verkopen. In ruil daarvoor ontvangt de auteur een royalty op basis van het verkochte aantal exemplaren. Ik denk dat auteurs niet blij zouden zijn als wij plotseling een website zouden maken waarin iedereen alles over de inhoud van deze boeken zou mogen vragen, zonder hen een vergoeding te betalen. Toch is dit wat de bedrijven achter de AI-tools doen. 

In Nederland is al een oplossing voor hergebruik van boeken. Bepaalde vormen van gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken mogen plaatsvinden zonder dat voor iedere kopie afzonderlijk toestemming moet worden gevraagd. Denk aan fotokopieën in het onderwijs, bibliotheken of bedrijven. Daar staat tegenover dat gebruikers daarvoor een wettelijke vergoeding betalen, die via organisaties als Lira en Reprorecht bij auteurs, vertalers en illustratoren terechtkomt. 

Het zou de techbedrijven sieren als ze auteurs op een vergelijkbare manier zouden vergoeden. De praktische realisatie daarvan lijkt op het eerste gezicht een vrij onmogelijke opgave, maar in de muziek is dit niettemin al jaren geleden grootschalig gerealiseerd. Bij bedrijven als Spotify, Apple Music en YouTube zijn er directe deals met labels en uitgevers, plus collectieve regelingen voor auteursrechten (met partijen als Buma/Stemra). Dat systeem is heel ingewikkeld en allesbehalve perfect, maar het uitgangspunt is helder: gebruik van muziek is niet gratis; er moet worden gelicentieerd en afgerekend. 

Erg optimistisch over de kansen van auteurs om gelijk te krijgen, ben ik niet. De boekenwereld telt anders dan de muziekwereld veel minder helden die de publieke opinie positief kunnen beïnvloeden en er gaat veel minder geld in om, waardoor het moeilijker is voor auteurs en uitgevers om de strijd aan te gaan met de grote techbedrijven. 

Niettemin, voor iedereen die aan de haal wil gaan met de boeken van onze auteurs: doe het niet. Zoals je op de colofonpagina van onze boeken kunt lezen, verbieden we het ongevraagd gebruik expliciet: ‘All rights are reserved, including those for text and data mining, AI training and similar technologies.’ Doe je het toch, dan krijg je met mij te maken. Ik heb de witte band in judo, het is maar dat je het weet. 

Shutterstock | Birgit Reitz-Hofmann

Zeven gouden regels voor auteurs op sociale media

Trucs werken niet op sociale media. Wat wel werkt, is saaier dan je hoopt en eenvoudiger dan je denkt.

Iedere week struikel ik wel over een nieuw wondermiddel voor succes op sociale media. Post je bericht elke dinsdag om 08.17 uur. Gebruik precies vijf hashtags. Maak video’s van 43 seconden. Plaats een emoji in de eerste regel. Reageer binnen twaalf minuten op elke reactie. Gebruik een foto van een lachende vrouw met een laptop.

Het aardige van dit soort adviezen is dat ze elkaar voortdurend tegenspreken. Wat gisteren nog de sleutel tot succes was, is vandaag achterhaald. Toch blijven mensen ernaar zoeken. Blijkbaar vinden we het een aantrekkelijk idee dat succes op sociale media vooral een kwestie is van trucs. Volgens mij is dat onzin.

Ik merk dat de succesvolste auteurs hun bereik op sociale media niet hebben opgebouwd met trucs. Ze hebben het opgebouwd met goede ideeën, goed geschreven teksten en een lange adem. Dat was tien jaar geleden zo en dat zal over tien jaar nog steeds zo zijn. Er zijn wel spelregels, maar die hebben met makkelijke oplossingen (helaas) niets te maken.

Omarm het ideale medium

De eerste gouden regel is dat je niet overal actief moet willen zijn. Veel auteurs gedragen zich als een beginnende muzikant die tegelijkertijd piano, viool, trompet en saxofoon probeert te spelen. Ze openen accounts op LinkedIn, Facebook, Instagram, YouTube en nog een handvol andere platforms. Vervolgens raken ze gefrustreerd omdat ze nergens echt zichtbaar worden.

Dat is niet vreemd. Sociale media lijken op elkaar, maar zijn totaal verschillende media. Een managementauteur die graag schrijft, voelt zich waarschijnlijk thuis op LinkedIn. Een historicus die prachtig kan vertellen, heeft misschien meer aan YouTube. Een kok die prachtige gerechten maakt, zal op Instagram sneller publiek vinden dan op Facebook. Kies één of twee kanalen en omarm ze. De rest is afleiding.

Schrijf zelf

Daarna volgt een regel die tegenwoordig bijna revolutionair klinkt: schrijf je berichten zelf. Ik begrijp best waarom mensen hun sociale media laten vullen door kunstmatige intelligentie. Het bespaart tijd. Dat doet een magnetron ook. Toch ga je niet naar een sterrenrestaurant om een opgewarmde maaltijd te eten.

Mensen volgen auteurs vanwege hun ideeën, hun ervaringen en hun persoonlijkheid. Niet vanwege hun vermogen om een prompt in te typen. Als ik een auteur volg op LinkedIn, dan wil ik weten wat híj denkt. Niet wat een taalmodel denkt dat hij zou kunnen denken.

Geef je kennis weg

Minstens zo belangrijk is dat je kennis weggeeft. Veel auteurs behandelen sociale media als een digitale etalage. Daar staat dan dag na dag hetzelfde product in: hun boek. Dat is ongeveer even aantrekkelijk als de buurman die elke ochtend aanbelt om te vertellen dat zijn auto nog steeds te koop is.

Mensen volgen je niet omdat je een boek hebt geschreven. Ze volgen je omdat je iets interessants te vertellen hebt. Een auteur die schrijft over onderhandelen kan op LinkedIn vertellen welke fout hij gisteren maakte tijdens een onderhandeling. Een opvoedkundige kan op Facebook een observatie delen die ze op het schoolplein deed. Een historicus kan op YouTube een vergeten verhaal uit de geschiedenis vertellen. Het boek verkoopt zichzelf wel als de inhoud interessant genoeg is.

Durf te schuren

Durf vervolgens te schuren. De meeste auteurs zijn te goed opgevoed. Ze formuleren hun berichten zo voorzichtig dat hun eigen moeder er geen aanstoot aan zou nemen. Het resultaat is meestal een tekst waar niemand iets van vindt. Dat is jammer, want invloed ontstaat zelden door braafheid.

Als je een boek over onderwijs hebt geschreven, schrijf dan niet dat het onderwijs voor uitdagingen staat. Iedereen weet dat. Schrijf dat scholen kinderen nieuwsgierigheid afleren. Als je een boek over leiderschap hebt geschreven, schrijf dan niet dat communicatie belangrijk is. Schrijf dat de meeste managers nauwelijks weten wat er leeft onder hun medewerkers. 

Schrijf voor mensen

Schrijf voor mensen, niet voor algoritmes. Ik hoor auteurs soms praten over engagement, impressies en conversies alsof ze aandelenhandelaren zijn geworden. Intussen vergeten ze de enige statistiek die ertoe doet: heeft iemand dit met aandacht gelezen? 

Een bericht dat op Instagram door vijftig mensen aandachtig wordt gelezen, is waardevoller dan een bericht dat duizend keer voorbijflitst zonder kennis of emotie achter te laten. Sociale media zijn geen wedstrijd in zichtbaarheid. Ze zijn een wedstrijd in relevantie. Als je lang genoeg relevant bent, gebeurt er iets interessants. Je wordt herkenbaar.

Wees herkenbaar

Vrijwel alle succesvolle auteurs op sociale media hebben een duidelijk profiel. Niet omdat ze dat bewust hebben bedacht, maar omdat ze jarenlang over dezelfde fascinaties hebben geschreven.

Op YouTube is dat de zeiler die blijft praten over zeilen. Op LinkedIn de ondernemer die voortdurend schrijft over ondernemerschap. Op Instagram de psycholoog die steeds terugkomt op menselijk gedrag. Hun publiek weet waarvoor het terugkomt.

Heb geduld

En dan blijft er nog één regel over: heb geduld. De meeste auteurs stoppen veel te vroeg. Ze publiceren drie maanden berichten, kijken teleurgesteld naar hun statistieken en concluderen dat sociale media niet werken. Dat is een merkwaardige conclusie. Niemand verwacht dat een boek na drie hoofdstukken af is. Niemand verwacht dat een schaatser na drie maanden oefenen aan de Olympische Spelen mee kan doen. Waarom zouden sociale media anders werken?

Succes op sociale media is helemaal geen mysterie. Het recept is zelfs verbazend saai. Kies een medium dat bij je past. Schrijf zelf. Deel kennis. Heb een mening. Schrijf voor mensen. Word herkenbaar. Houd vol. Dat zijn geen trucs. Dat zijn de zeven gouden regels, en daarom werken ze. 

Illustratie: boeksculptuur van Jodi Harvey-Brown

Maak je boek interactief

Met de content uit je boek kun je veel meer doen dan je denkt. In een handomdraai kun je er allerlei interactieve varianten van maken waardoor je de relatie met je doelgroep versterkt en jezelf nog beter op de kaart zet.

Het is geweldig dat je een boek hebt geschreven. Je hebt er maandenlang aan gewerkt en er al je kennis en ervaring in gestopt. Maar is het niet zonde dat je al die content verder niet gebruikt? Zet jezelf nog beter op de kaart door die content te recyclen, bij voorkeur op een manier die lezers en potentiële lezers (nog beter) betrekt bij de boodschap van je boek. Ik heb 18 interactieve varianten op een rij gezet, waarvan er meerdere succesvol door onze auteurs zijn toegepast. Welke passen bij jouw boek?

Online test

Maak een online test waarmee lezers hun eigen situatie kunnen analyseren. Er is veel gratis software waarmee je dit kunt doen. Laat lezers een reeks vragen beantwoorden, waardoor vervolgens automatisch een persoonlijk profiel, een score of een adviesrapport wordt gegenereerd. Aan een boek over slaap kun je bijvoorbeeld een online test toevoegen waarmee lezers ontdekken welk type slaper ze zijn. 

30-dagen challenge

Bedenk een challenge die lezers dagelijks activeert. Mail gedurende dertig dagen opdrachten, video’s of tips die aansluiten op de inhoud van je boek. Bij een boek over de Romeinen kun je bijvoorbeeld dertig dagen lang opdrachten sturen waarmee lezers hun dagelijkse leven kunnen vergelijken met dat van een Romein. Op dag 1 ontvangen ze een recept, op dag 2 kledingadvies. 

AI-coach 

Maak een chatbot die is getraind op de inhoud van je boek. Lezers kunnen dan vragen stellen en krijgen antwoorden die passen bij jouw methode of visie. Bij een tuinboek kunnen lezers bijvoorbeeld foto’s van planten uploaden en advies krijgen volgens de aanpak uit je boek.

Persoonlijk actieplan

Maak een online hulpmiddel dat op basis van enkele antwoorden automatisch een persoonlijk stappenplan opstelt. Een boek over duurzamer leven kan bijvoorbeeld een actieplan genereren op basis van woningtype, gezinssamenstelling en reisgedrag.

Kaartenset

Laat een kaartenset printen waarmee lezers jouw ideeën actief kunnen toepassen. Bij een psychologieboek kun je bijvoorbeeld kaarten laten maken die vragen bevatten die leiden tot diepere gesprekken aan de keukentafel.

Kennisquiz

Maak een quiz waarmee lezers zichzelf kunnen testen. Dat maakt de inhoud speelser en persoonlijker. Als auteur van een kunstboek kun je bijvoorbeeld de vraag stellen: ‘Welke kunstverzamelaar schuilt er in jou?’

Werkboek met opdrachten

Ontwikkel een aanvullend werkboek waarin lezers opdrachten, reflecties en actiepunten kunnen uitwerken. Een boek over familiegeschiedenis kan lezers stap voor stap helpen hun eigen stamboom in kaart te brengen.

Interactieve kaart

Maak een digitale kaart waarop locaties uit je boek zichtbaar zijn. Bij een reisboek kunnen lezers zo de volledige route verkennen en aanvullende informatie per locatie bekijken.

Delen ervaringen

Nodig lezers uit om hun eigen situatie of dilemma in te sturen. Een opvoedboek kan ouders bijvoorbeeld uitnodigen om hun lastigste opvoeddilemma in te sturen. Deze situaties en eventuele oplossingen zou je (anoniem) kunnen beschrijven in blogs.

Lezerswedstrijd

Organiseer een wedstrijd waarbij lezers jouw ideeën in de praktijk brengen. Bij een natuurboek kun je bijvoorbeeld een wedstrijd organiseren voor de mooiste insectenfoto.

Online minicursus

Bied een reeks videolessen aan waarmee lezers dieper in de stof kunnen duiken. Als auteur van een sterrenkundeboek kun je bijvoorbeeld videolessen aanbieden waarin je uitlegt hoe je sterrenbeelden herkent.

Rekentool 

Maak een online hulpmiddel waarmee lezers direct berekeningen kunnen uitvoeren die aansluiten op de inhoud van je boek. De lezer van een boek over financiële onafhankelijkheid zou bijvoorbeeld kunnen berekenen hoeveel eerder hij kan stoppen met werken.

Jaarlijkse bijeenkomst

Organiseer een terugkerende bijeenkomst voor lezers van je boek. Een boek over stamboomonderzoek kan bijvoorbeeld leiden tot een jaarlijkse familiekundige ontmoetingsdag waar jij een presentatie geeft. 

Buddyprogramma

Koppel lezers aan elkaar zodat zij samen aan de slag kunnen met de inhoud van je boek. Bij een boek over afvallen kunnen deelnemers elkaar motiveren en aanspreken op hun doelen.

Digitale bibliotheek met aanvullingen

Blijf nieuwe inhoud toevoegen nadat het boek is verschenen. Bij een kunstboek kun je bijvoorbeeld voortdurend nieuwe kunstwerken en analyses toevoegen aan een online omgeving.

Speurtocht

Koppel je boek aan een fysieke of digitale ontdekkingstocht. Als auteur van een boek over lokale geschiedenis kun je lezers bijvoorbeeld opdrachten laten uitvoeren op historische locaties.

Masterclass

Ontwikkel een uitgebreide training die voortbouwt op de inhoud van je boek. Een boek over onderhandelen kun je bijvoorbeeld aanvullen met een praktijkgerichte trainingsdag.

Live online groepssessie met de auteur

Organiseer online bijeenkomsten waarin lezers jou vragen kunnen stellen en ervaringen kunnen uitwisselen. Laat ondernemers bijvoorbeeld vragen over groei voorleggen.

Wat auteurs kunnen leren van podcastmiljonairs

Wat auteurs kunnen leren van podcastmiljonairs

Sommige auteurs schrijven alsof ze een belastingformulier invullen. Wat kun je leren van je kletsende podcastcollega’s? 

Ik luister regelmatig naar podcasts waarin hosts en hun gasten met elkaar in gesprek gaan. Ze vallen elkaar in de rede, maken omwegen, herhalen zichzelf, vertellen anekdotes die nauwelijks relevant zijn en dwalen regelmatig af naar onderwerpen die niets met het gesprek te maken hebben. Toch blijf ik maar luisteren, net als duizenden anderen. Dat is opmerkelijk, want als je de podcast als manuscript zou inleveren bij een uitgever zou het oordeel waarschijnlijk niet mals zijn.

Stel je voor dat een auteur bij mij binnenloopt met een manuscript onder zijn arm en zegt: ‘Geerhard, ik heb het niet zo nauw genomen met de structuur. Ik dwaal regelmatig af. Sommige hoofdstukken lijken op elkaar. En andere hoofdstukken heb ik gevuld met verhalen over mezelf, mijn vrienden en wat grappige dingen die ik onderweg heb meegemaakt.’ Ik zou waarschijnlijk beleefd glimlachen terwijl ik bedenk hoe ik die auteur snel de deur uit kan werken. Toch verdienen sommige podcasters miljoenen met precies deze formule. Dat roept een interessante vraag op: wat begrijpen succesvolle podcasters van communicatie dat veel auteurs niet begrijpen?

Voordat je denkt dat dit een pleidooi wordt om boeken te vervangen door podcasts: geen zorgen. Ik ben uitgever, geen podcaster. Ik geloof nog steeds dat een goed boek een van de aantrekkelijkste manieren is om ideeën over te brengen. En in mijn ogen heeft een podcast ook nadelen. Wie een podcast van een half uur heeft beluisterd, heeft vaak een 

prettig gevoel overgehouden aan die ervaring, maar kan zich een week later nog maar weinig van de inhoud herinneren. De gemiddelde podcast hoort in de vitrine van een snackbar thuis. Hij is lekker, gemakkelijk te consumeren en je hebt al snel zin in de volgende, maar hij is niet zelden ongezond. Toch moet ik bekennen dat ik soms jaloers ben op podcasters. Wat doen zij beter dan hun schrijvende collega’s?

Persoonlijk

Het eerste antwoord lijkt voor de hand te liggen: podcasts zijn persoonlijk. Dat klinkt triviaal, maar volgens mij wordt het belang daarvan onderschat. De meeste non-fictieboeken worden geschreven alsof de auteur niet bestaat. Je krijgt hoofdstukken over gezondheid, leiderschap of beleggen, maar na tweehonderd pagina’s weet je nog steeds niets over de persoon die deze ideeën heeft opgeschreven. De auteur heeft zichzelf zorgvuldig uit zijn eigen boek verwijderd.

Stel je voor dat een collega je urenlang uitlegt hoe je moet sporten, leidinggeven of verkopen, maar hij deelt geen enkele anekdote en ook niets over zijn fouten of successen. Je zou hem waarschijnlijk een beetje vreemd vinden. Toch is dat precies hoe veel non-fictieboeken zijn geschreven.

Podcasters doen het tegenovergestelde. Ze delen onevenredig veel over hun ervaringen en persoonlijke voorkeuren. Als luisteraars leer je vaak verrassend veel over hun leven. Je maakt kennis met hun eigenaardigheden, hun zwakke punten, hun politieke voorkeuren, hun mislukkingen en hun obsessies. Ik weet dat Maarten van Rossem een hekel heeft aan kamperen, dat Rob de Wijk van Boekestijn en De Wijk graag in zijn huis in Frankrijk verblijft en waar Max, Hugo en Leon van De Grote Podcastlas zelf op vakantie gaan. Persoonlijke ervaringen zijn geen bijzaak, maar een belangrijk onderdeel van het succes. Mensen luisteren niet alleen naar ideeën; ze luisteren ook en bovenal naar mensen. 

Entertainment

De tweede les heeft te maken met entertainment, een woord waar veel auteurs een lichte allergie voor lijken te hebben. Zodra je suggereert dat een boek vermakelijk moet zijn, ontstaat al snel de indruk dat je oppervlakkigheid bepleit. Alsof een schrijver moet kiezen tussen inhoud en amusement. Dat is natuurlijk onzin.

Neem een willekeurige documentaire van David Attenborough. Stel je voor dat hij een uur lang droog zou opsommen hoe dieren zich voortplanten, jagen en migreren. De informatie zou grotendeels hetzelfde blijven, maar niemand zou blijven kijken. Attenborough begrijpt dat mensen niet alleen nieuwsgierig zijn naar feiten, maar ook naar verhalen. Daarom volgt hij een pinguïn die zijn ei probeert te beschermen, een leeuw die op jacht gaat of een walvis die haar jong verdedigt. Het verhaal trekt je naar binnen, waarna de informatie vanzelf volgt.

Veel podcasters begrijpen dat instinctief. Stel dat een podcaster een uitzending wil maken over leiderschap. Dan begint hij niet met een definitie van leiderschap. Hij opent met een medewerker die ontslag nam, een ruzie in de directiekamer of een beslissing die miljoenen euro’s kostte. Pas daarna volgt de analyse. Veel auteurs doen precies het tegenovergestelde. Zij openen hun boek alsof ze een belastingformulier aan het invullen zijn, en beginnen met een model, een definitie of een theoretisch kader en hopen dat de lezer geïnteresseerd genoeg is om door te lezen tot de eerste echte gebeurtenis zich aandient.

Aandacht verdienen

Een derde les is misschien nog wel belangrijker. Podcastmakers lijken beter te begrijpen dat aandacht verdiend moet worden. Een auteur denkt vaak: ik heb iets belangrijks te vertellen, dus de lezer moet luisteren. Een podcaster denkt eerder: hoe kan ik de luisteraar overhalen om vandaag een uur van zijn leven aan mij te besteden?

Het verschil in inzicht lijkt klein, maar het heeft grote gevolgen. De tweede vraag dwingt je om voortdurend rekening te houden met je publiek. Ben ik nog interessant? Ben ik te lang van stof? Is dit voorbeeld sterk genoeg? Is deze zijweg de moeite waard?

Veel auteurs houden weinig rekening met hun lezers. Ze schrijven vanuit hun expertise, terwijl podcasters meestal vertrekken vanuit de wensen van hun publiek.

Het ironische is dat veel auteurs met hun focus op inhoud bereiken wat ze wilden voorkomen. Ze beschermen hun inhoud tegen oppervlakkigheid, maar verliezen onderweg hun lezer. Helaas leert een lezer die afhaakt uiteindelijk niets, hoe briljant de inhoud ook is.

Misschien verklaart het verschil in aanpak waarom sommige podcasters miljoenen verdienen terwijl veel auteurs moeite hebben om hun boeken te verkopen. Niet omdat de podcaster slimmer is. Niet omdat hij meer kennis heeft. En zeker niet omdat het medium superieur is. Volgens mij begrijpen succesvolle podcasters simpelweg beter dat kennisoverdracht uiteindelijk mensenwerk is. Wij leren niet alleen van ideeën. Wij leren van mensen die die ideeën tot leven brengen.

Hoe bedenk je een briljante boektitel?

Hoe bedenk je een briljante boektitel?

Een goede boektitel is misschien wel de belangrijkste succesfactor voor een boek. Natuurlijk, je moet ook een aantrekkelijk boek hebben geschreven, maar de titel bepaalt in hoge mate of potentiële lezers er ooit een letter van zullen lezen. Maar hoe bedenk je een briljante titel? Ik heb geen idee, en dat is maar goed ook.

Samen met auteurs heb ik als uitgever al veel boektitels bedacht. De ene keer kwam een boektitel direct aanwaaien, de andere keer moesten de auteur en ik de titel er met de haren bij trekken. Het resultaat was soms matig, soms geweldig. Helaas heb ik geen oorzakelijk verband kunnen ontdekken tussen de kwaliteit van een titel en de manier waarop ik het aanpakte. Hoe ik het ook organiseer en hoe actief ik er ook mee bezig ben, mijn brein is een eigenwijze levenspartner en produceert niet op commando bruikbare ingevingen. 

Ik ben gelukkig niet de enige voor wie het bedenken van goede ideeën een onnavolgbaar proces blijkt. Neem Paul McCartney. 

‘Ik rommel wat aan’

Volgens de Amerikaanse auteursrechtenorganisatie ASCAP schreef McCartney 1.059 liedjes. Van al die liedjes belandden er honderden in een top honderd, en vele tientallen op nummer een. Toch heeft McCartney naar eigen zeggen geen idee hoe hij het doet, muziek bedenken. In de songwritinglessen die hij nog altijd geeft, begint hij steevast met dezelfde bekentenis: ‘Ik weet niet hoe ik dit doe. Je zou denken van wel, maar dit is niet iets wat je ooit echt leert.’

Schrijver John Higgs beschrijft in zijn boek Love and Let Die hoe McCartney nooit bladmuziek heeft leren lezen uit angst dat het de manier waarop hij werkt zou verstoren. Toch zit hij niet werkeloos op inspiratie te wachten. Zijn vader leerde hem al vroeg: D.I.N.: ‘do it now’. Hij gaat zitten met een gitaar of piano en zoekt naar melodieën, akkoorden, losse woorden; gewoon iets om mee te beginnen. In een podcast met de Amerikaanse publieke radiozender NPR zei hij: ‘Dan rommel ik wat aan en probeer het spoor te volgen. Soms loopt het dood in een steeg en moet ik terug om een andere weg in te slaan.’ Veel concreter dan dit is McCartney nooit geweest over de manier waarop hij het doet. Wat ik als een opluchting ervaar: als hij al niet weet hoe je creatief moet zijn, dan hoef ik me niet te schamen voor het feit dat ik ook niet weet hoe je een boektitel bedenkt.

Misschien is niet weten hoe je het doet geen obstakel. Misschien is het juist wel de sleutel.

Producten of kunst

Het moment dat je precies weet hoe je een briljante titel bedenkt, is waarschijnlijk het moment dat je er geen meer kunt bedenken. Want wat je dan produceert, is geen titel meer, het is de uitkomst van een formule. En formules leveren producten op, geen kunst. Ze zijn betrouwbaar, efficiënt en volkomen voorspelbaar. Precies daarom falen ze.

Een goede titel moet niet alleen de lezer maar ook de bedenker verrassen. Die verrassing is niet bijzaak; het is het bewijs dat er iets echts is gebeurd, iets wat je niet had kunnen plannen. Wie het proces volledig doorziet en er een systeem van maakt, sluit die verrassing bij voorbaat uit. Je volgt niet langer het spoor; je legt het zelf aan. En een spoor dat je zelf aanlegt, leidt altijd naar een bestemming die je al kende.

Niet weten hoe je zoiets als een boektitel bedenkt is daarom geen zwakte die je moet overwinnen. Het is de toestand waarin originaliteit überhaupt mogelijk is.

Het grootste geheim van succesvolle auteurs

Het grootste geheim van succesvolle auteurs

De beste schrijvers van non-fictie passen een truc toe die bijna niet opvalt, maar altijd het verschil betekent tussen een boek dat verkoopt en een boek dat op de plank blijft liggen. Het is een truc die iedereen kan leren, maar die bijna niemand toepast omdat je eigenlijk alles moet vergeten wat je over schrijven hebt geleerd.

Herinner je je nog hoe je op de lagere school leerde schrijven? Juf Anouk schreef drie woorden op het bord: Mijn mooiste vakantie. ‘Vertel maar wat je hebt beleefd,’ zei ze. ‘Wat je hebt gezien, geproefd, gevoeld.’ Je pakte je pen en schreef. Over de camping in Frankrijk. De boomhut. Het onweer op de laatste avond. Alles wat je had meegemaakt. En juf Anouk gaf je een acht, omdat je zo mooi had opgeschreven wat je wilde vertellen. Juf Anouk bedoelde het goed, maar ze maakte een cruciale fout: ze leerde je om te schrijven wat je bedoelt. Maar het doet er helemaal niet toe wat je bedoelt, het enige wat telt is wat de lezer leest. 

In de loop van je leven maakten de opvolgers van juf Anouk exact dezelfde denkfout. De leraar Nederlands leerde je om een betoog te schrijven, en gaf dezelfde boodschap: ‘Zorg dat jouw standpunt helder is. Bedenk feiten en argumenten die jij overtuigend vindt.’ Je eerste leidinggevende vroeg je om een rapport te schrijven. ‘Zorg dat jouw conclusie er duidelijk in staat,’ zei hij. ‘Schrijf op wat jij hebt gevonden, wat jij hebt onderzocht, wat jij belangrijk vindt.’ Je schreef dertig pagina’s. Je leidinggevende knikte tevreden. Misschien heb je zelfs een schrijfcursus gevolgd. De coach zei: ‘Schrijf vanuit je passie. Schrijf wat jou bezighoudt.’ Je geloofde haar. Maar het is precies hetzelfde domme advies als dat van juf Anouk, alleen eigentijdser verpakt. Schrijf wat jij voelt. Schrijf wat jij denkt. Schrijf wat jij bedoelt. Het klinkt zo logisch, maar het is het domste advies dat je kunt krijgen. 

Achterhaald idee

Juf Anouk, jouw leraar Nederlands, je leidinggevende en je schrijfcoach gaan allemaal uit van het volstrekt achterhaalde idee dat je boodschap ongefilterd binnenkomt als je hem maar aantrekkelijk verwoordt. Je lezer is echter geen apparaat dat je informatie ongefilterd verwerkt. Je lezer interpreteert. Hij haalt jouw boodschap door zijn zompige brein, waarna er soms weinig overblijft van jouw oorspronkelijke bedoelingen. 

Communiceren in de grotemensenwereld gaat precies zoals het vroeger in de klas ging tijdens het telefoonspel. Een zin ging de kring rond, tot hij bij het laatste kind aankwam. Dat kind zei hardop wat hij had gehoord. Iedereen lachte, want wat begon als ‘De kat ligt in de mand met een gele hoed,’ was onderweg veranderd in ‘De rat zit op de mat met een gekke voet.’ 

Wat bedoelde Flaubert?

Dat zoveel mensen informatie zien als eenduidig is niet vreemd; tot ver in de vorige eeuw waren ook literatuurwetenschappers daarvan overtuigd. Ze vroegen zich af: wat bedoelde Flaubert? Wat wilde Tolstoj zeggen? De Duitse literatuurwetenschapper Wolfgang Iser draaide dat om: het maakt niet uit wat de auteur bedoelt. Betekenis ontstaat op het moment dat een lezer leest. Niet ervoor, niet erna. Dáár. In zijn boek The Act of Reading uit 1978 beschrijft Iser hoe lezen een actief, creatief proces is. De lezer vult in, interpreteert, corrigeert en construeert voortdurend. Een tekst is nooit af totdat een lezer hem leest. 

Hoe dan wel?

Een advocaat die zijn pleidooi schrijft om zijn eigen juridische kennis te etaleren, verliest. Een advocaat die zijn pleidooi schrijft voor de rechter, en dus rekening houdt met diens referentiekader, twijfels en vragen, wint. Een schrijver die zijn boek schrijft om zijn kennis en ervaringen te delen, zal de top zestig nooit halen. Een succesvolle schrijver daarentegen is ervan doordrongen dat hij zijn ego aan de kant moet zetten en zich moet richten op de lezer. Wat wil ik dat de lezer begrijpt, voelt en doet? 

Hoe krijg je de focus op de lezer voor elkaar? Het vereist dat je je continu bewust bent van het effect van wat je schrijft. Bij elk feit, elk argument, elke zin en eigenlijk elk woord moet je jezelf afvragen: hoe komt dit over? Begrijpt de lezer wat ik bedoel? Moet hij lachen? Komt hij zo in actie? 

Doe bijvoorbeeld wat Stephen King aanraadde in zijn onvolprezen boek On Writing: ‘I write for an audience of one: my Ideal Reader.’ King schreef altijd voor één specifieke persoon in gedachten: zijn vrouw Tabitha. Niet voor zichzelf, niet voor zijn critici, maar voor haar. En als een advies goed genoeg is voor King (meer dan vierhonderd miljoen verkochte boeken), dan is het ook goed genoeg voor ons, gewone stervelingen. Probeer het eens. Plak een foto van je ideale lezer op het prikbord boven je computer en schrijf voor hem. Niet voor jezelf.