Overslaan en naar de inhoud gaan

Auteur: Geerhard Bolte

Wat auteurs kunnen leren van podcastmiljonairs

Wat auteurs kunnen leren van podcastmiljonairs

Sommige auteurs schrijven alsof ze een belastingformulier invullen. Wat kun je leren van je kletsende podcastcollega’s? 

Ik luister regelmatig naar podcasts waarin hosts en hun gasten met elkaar in gesprek gaan. Ze vallen elkaar in de rede, maken omwegen, herhalen zichzelf, vertellen anekdotes die nauwelijks relevant zijn en dwalen regelmatig af naar onderwerpen die niets met het gesprek te maken hebben. Toch blijf ik maar luisteren, net als duizenden anderen. Dat is opmerkelijk, want als je de podcast als manuscript zou inleveren bij een uitgever zou het oordeel waarschijnlijk niet mals zijn.

Stel je voor dat een auteur bij mij binnenloopt met een manuscript onder zijn arm en zegt: ‘Geerhard, ik heb het niet zo nauw genomen met de structuur. Ik dwaal regelmatig af. Sommige hoofdstukken lijken op elkaar. En andere hoofdstukken heb ik gevuld met verhalen over mezelf, mijn vrienden en wat grappige dingen die ik onderweg heb meegemaakt.’ Ik zou waarschijnlijk beleefd glimlachen terwijl ik bedenk hoe ik die auteur snel de deur uit kan werken. Toch verdienen sommige podcasters miljoenen met precies deze formule. Dat roept een interessante vraag op: wat begrijpen succesvolle podcasters van communicatie dat veel auteurs niet begrijpen?

Voordat je denkt dat dit een pleidooi wordt om boeken te vervangen door podcasts: geen zorgen. Ik ben uitgever, geen podcaster. Ik geloof nog steeds dat een goed boek een van de aantrekkelijkste manieren is om ideeën over te brengen. En in mijn ogen heeft een podcast ook nadelen. Wie een podcast van een half uur heeft beluisterd, heeft vaak een 

prettig gevoel overgehouden aan die ervaring, maar kan zich een week later nog maar weinig van de inhoud herinneren. De gemiddelde podcast hoort in de vitrine van een snackbar thuis. Hij is lekker, gemakkelijk te consumeren en je hebt al snel zin in de volgende, maar hij is niet zelden ongezond. Toch moet ik bekennen dat ik soms jaloers ben op podcasters. Wat doen zij beter dan hun schrijvende collega’s?

Persoonlijk

Het eerste antwoord lijkt voor de hand te liggen: podcasts zijn persoonlijk. Dat klinkt triviaal, maar volgens mij wordt het belang daarvan onderschat. De meeste non-fictieboeken worden geschreven alsof de auteur niet bestaat. Je krijgt hoofdstukken over gezondheid, leiderschap of beleggen, maar na tweehonderd pagina’s weet je nog steeds niets over de persoon die deze ideeën heeft opgeschreven. De auteur heeft zichzelf zorgvuldig uit zijn eigen boek verwijderd.

Stel je voor dat een collega je urenlang uitlegt hoe je moet sporten, leidinggeven of verkopen, maar hij deelt geen enkele anekdote en ook niets over zijn fouten of successen. Je zou hem waarschijnlijk een beetje vreemd vinden. Toch is dat precies hoe veel non-fictieboeken zijn geschreven.

Podcasters doen het tegenovergestelde. Ze delen onevenredig veel over hun ervaringen en persoonlijke voorkeuren. Als luisteraars leer je vaak verrassend veel over hun leven. Je maakt kennis met hun eigenaardigheden, hun zwakke punten, hun politieke voorkeuren, hun mislukkingen en hun obsessies. Ik weet dat Maarten van Rossem een hekel heeft aan kamperen, dat Rob de Wijk van Boekestijn en De Wijk graag in zijn huis in Frankrijk verblijft en waar Max, Hugo en Leon van De Grote Podcastlas zelf op vakantie gaan. Persoonlijke ervaringen zijn geen bijzaak, maar een belangrijk onderdeel van het succes. Mensen luisteren niet alleen naar ideeën; ze luisteren ook en bovenal naar mensen. 

Entertainment

De tweede les heeft te maken met entertainment, een woord waar veel auteurs een lichte allergie voor lijken te hebben. Zodra je suggereert dat een boek vermakelijk moet zijn, ontstaat al snel de indruk dat je oppervlakkigheid bepleit. Alsof een schrijver moet kiezen tussen inhoud en amusement. Dat is natuurlijk onzin.

Neem een willekeurige documentaire van David Attenborough. Stel je voor dat hij een uur lang droog zou opsommen hoe dieren zich voortplanten, jagen en migreren. De informatie zou grotendeels hetzelfde blijven, maar niemand zou blijven kijken. Attenborough begrijpt dat mensen niet alleen nieuwsgierig zijn naar feiten, maar ook naar verhalen. Daarom volgt hij een pinguïn die zijn ei probeert te beschermen, een leeuw die op jacht gaat of een walvis die haar jong verdedigt. Het verhaal trekt je naar binnen, waarna de informatie vanzelf volgt.

Veel podcasters begrijpen dat instinctief. Stel dat een podcaster een uitzending wil maken over leiderschap. Dan begint hij niet met een definitie van leiderschap. Hij opent met een medewerker die ontslag nam, een ruzie in de directiekamer of een beslissing die miljoenen euro’s kostte. Pas daarna volgt de analyse. Veel auteurs doen precies het tegenovergestelde. Zij openen hun boek alsof ze een belastingformulier aan het invullen zijn, en beginnen met een model, een definitie of een theoretisch kader en hopen dat de lezer geïnteresseerd genoeg is om door te lezen tot de eerste echte gebeurtenis zich aandient.

Aandacht verdienen

Een derde les is misschien nog wel belangrijker. Podcastmakers lijken beter te begrijpen dat aandacht verdiend moet worden. Een auteur denkt vaak: ik heb iets belangrijks te vertellen, dus de lezer moet luisteren. Een podcaster denkt eerder: hoe kan ik de luisteraar overhalen om vandaag een uur van zijn leven aan mij te besteden?

Het verschil in inzicht lijkt klein, maar het heeft grote gevolgen. De tweede vraag dwingt je om voortdurend rekening te houden met je publiek. Ben ik nog interessant? Ben ik te lang van stof? Is dit voorbeeld sterk genoeg? Is deze zijweg de moeite waard?

Veel auteurs houden weinig rekening met hun lezers. Ze schrijven vanuit hun expertise, terwijl podcasters meestal vertrekken vanuit de wensen van hun publiek.

Het ironische is dat veel auteurs met hun focus op inhoud bereiken wat ze wilden voorkomen. Ze beschermen hun inhoud tegen oppervlakkigheid, maar verliezen onderweg hun lezer. Helaas leert een lezer die afhaakt uiteindelijk niets, hoe briljant de inhoud ook is.

Misschien verklaart het verschil in aanpak waarom sommige podcasters miljoenen verdienen terwijl veel auteurs moeite hebben om hun boeken te verkopen. Niet omdat de podcaster slimmer is. Niet omdat hij meer kennis heeft. En zeker niet omdat het medium superieur is. Volgens mij begrijpen succesvolle podcasters simpelweg beter dat kennisoverdracht uiteindelijk mensenwerk is. Wij leren niet alleen van ideeën. Wij leren van mensen die die ideeën tot leven brengen.

Hoe bedenk je een briljante boektitel?

Hoe bedenk je een briljante boektitel?

Een goede boektitel is misschien wel de belangrijkste succesfactor voor een boek. Natuurlijk, je moet ook een aantrekkelijk boek hebben geschreven, maar de titel bepaalt in hoge mate of potentiële lezers er ooit een letter van zullen lezen. Maar hoe bedenk je een briljante titel? Ik heb geen idee, en dat is maar goed ook.

Samen met auteurs heb ik als uitgever al veel boektitels bedacht. De ene keer kwam een boektitel direct aanwaaien, de andere keer moesten de auteur en ik de titel er met de haren bij trekken. Het resultaat was soms matig, soms geweldig. Helaas heb ik geen oorzakelijk verband kunnen ontdekken tussen de kwaliteit van een titel en de manier waarop ik het aanpakte. Hoe ik het ook organiseer en hoe actief ik er ook mee bezig ben, mijn brein is een eigenwijze levenspartner en produceert niet op commando bruikbare ingevingen. 

Ik ben gelukkig niet de enige voor wie het bedenken van goede ideeën een onnavolgbaar proces blijkt. Neem Paul McCartney. 

‘Ik rommel wat aan’

Volgens de Amerikaanse auteursrechtenorganisatie ASCAP schreef McCartney 1.059 liedjes. Van al die liedjes belandden er honderden in een top honderd, en vele tientallen op nummer een. Toch heeft McCartney naar eigen zeggen geen idee hoe hij het doet, muziek bedenken. In de songwritinglessen die hij nog altijd geeft, begint hij steevast met dezelfde bekentenis: ‘Ik weet niet hoe ik dit doe. Je zou denken van wel, maar dit is niet iets wat je ooit echt leert.’

Schrijver John Higgs beschrijft in zijn boek Love and Let Die hoe McCartney nooit bladmuziek heeft leren lezen uit angst dat het de manier waarop hij werkt zou verstoren. Toch zit hij niet werkeloos op inspiratie te wachten. Zijn vader leerde hem al vroeg: D.I.N.: ‘do it now’. Hij gaat zitten met een gitaar of piano en zoekt naar melodieën, akkoorden, losse woorden; gewoon iets om mee te beginnen. In een podcast met de Amerikaanse publieke radiozender NPR zei hij: ‘Dan rommel ik wat aan en probeer het spoor te volgen. Soms loopt het dood in een steeg en moet ik terug om een andere weg in te slaan.’ Veel concreter dan dit is McCartney nooit geweest over de manier waarop hij het doet. Wat ik als een opluchting ervaar: als hij al niet weet hoe je creatief moet zijn, dan hoef ik me niet te schamen voor het feit dat ik ook niet weet hoe je een boektitel bedenkt.

Misschien is niet weten hoe je het doet geen obstakel. Misschien is het juist wel de sleutel.

Producten of kunst

Het moment dat je precies weet hoe je een briljante titel bedenkt, is waarschijnlijk het moment dat je er geen meer kunt bedenken. Want wat je dan produceert, is geen titel meer, het is de uitkomst van een formule. En formules leveren producten op, geen kunst. Ze zijn betrouwbaar, efficiënt en volkomen voorspelbaar. Precies daarom falen ze.

Een goede titel moet niet alleen de lezer maar ook de bedenker verrassen. Die verrassing is niet bijzaak; het is het bewijs dat er iets echts is gebeurd, iets wat je niet had kunnen plannen. Wie het proces volledig doorziet en er een systeem van maakt, sluit die verrassing bij voorbaat uit. Je volgt niet langer het spoor; je legt het zelf aan. En een spoor dat je zelf aanlegt, leidt altijd naar een bestemming die je al kende.

Niet weten hoe je zoiets als een boektitel bedenkt is daarom geen zwakte die je moet overwinnen. Het is de toestand waarin originaliteit überhaupt mogelijk is.

Het grootste geheim van succesvolle auteurs

Het grootste geheim van succesvolle auteurs

De beste schrijvers van non-fictie passen een truc toe die bijna niet opvalt, maar altijd het verschil betekent tussen een boek dat verkoopt en een boek dat op de plank blijft liggen. Het is een truc die iedereen kan leren, maar die bijna niemand toepast omdat je eigenlijk alles moet vergeten wat je over schrijven hebt geleerd.

Herinner je je nog hoe je op de lagere school leerde schrijven? Juf Anouk schreef drie woorden op het bord: Mijn mooiste vakantie. ‘Vertel maar wat je hebt beleefd,’ zei ze. ‘Wat je hebt gezien, geproefd, gevoeld.’ Je pakte je pen en schreef. Over de camping in Frankrijk. De boomhut. Het onweer op de laatste avond. Alles wat je had meegemaakt. En juf Anouk gaf je een acht, omdat je zo mooi had opgeschreven wat je wilde vertellen. Juf Anouk bedoelde het goed, maar ze maakte een cruciale fout: ze leerde je om te schrijven wat je bedoelt. Maar het doet er helemaal niet toe wat je bedoelt, het enige wat telt is wat de lezer leest. 

In de loop van je leven maakten de opvolgers van juf Anouk exact dezelfde denkfout. De leraar Nederlands leerde je om een betoog te schrijven, en gaf dezelfde boodschap: ‘Zorg dat jouw standpunt helder is. Bedenk feiten en argumenten die jij overtuigend vindt.’ Je eerste leidinggevende vroeg je om een rapport te schrijven. ‘Zorg dat jouw conclusie er duidelijk in staat,’ zei hij. ‘Schrijf op wat jij hebt gevonden, wat jij hebt onderzocht, wat jij belangrijk vindt.’ Je schreef dertig pagina’s. Je leidinggevende knikte tevreden. Misschien heb je zelfs een schrijfcursus gevolgd. De coach zei: ‘Schrijf vanuit je passie. Schrijf wat jou bezighoudt.’ Je geloofde haar. Maar het is precies hetzelfde domme advies als dat van juf Anouk, alleen eigentijdser verpakt. Schrijf wat jij voelt. Schrijf wat jij denkt. Schrijf wat jij bedoelt. Het klinkt zo logisch, maar het is het domste advies dat je kunt krijgen. 

Achterhaald idee

Juf Anouk, jouw leraar Nederlands, je leidinggevende en je schrijfcoach gaan allemaal uit van het volstrekt achterhaalde idee dat je boodschap ongefilterd binnenkomt als je hem maar aantrekkelijk verwoordt. Je lezer is echter geen apparaat dat je informatie ongefilterd verwerkt. Je lezer interpreteert. Hij haalt jouw boodschap door zijn zompige brein, waarna er soms weinig overblijft van jouw oorspronkelijke bedoelingen. 

Communiceren in de grotemensenwereld gaat precies zoals het vroeger in de klas ging tijdens het telefoonspel. Een zin ging de kring rond, tot hij bij het laatste kind aankwam. Dat kind zei hardop wat hij had gehoord. Iedereen lachte, want wat begon als ‘De kat ligt in de mand met een gele hoed,’ was onderweg veranderd in ‘De rat zit op de mat met een gekke voet.’ 

Wat bedoelde Flaubert?

Dat zoveel mensen informatie zien als eenduidig is niet vreemd; tot ver in de vorige eeuw waren ook literatuurwetenschappers daarvan overtuigd. Ze vroegen zich af: wat bedoelde Flaubert? Wat wilde Tolstoj zeggen? De Duitse literatuurwetenschapper Wolfgang Iser draaide dat om: het maakt niet uit wat de auteur bedoelt. Betekenis ontstaat op het moment dat een lezer leest. Niet ervoor, niet erna. Dáár. In zijn boek The Act of Reading uit 1978 beschrijft Iser hoe lezen een actief, creatief proces is. De lezer vult in, interpreteert, corrigeert en construeert voortdurend. Een tekst is nooit af totdat een lezer hem leest. 

Hoe dan wel?

Een advocaat die zijn pleidooi schrijft om zijn eigen juridische kennis te etaleren, verliest. Een advocaat die zijn pleidooi schrijft voor de rechter, en dus rekening houdt met diens referentiekader, twijfels en vragen, wint. Een schrijver die zijn boek schrijft om zijn kennis en ervaringen te delen, zal de top zestig nooit halen. Een succesvolle schrijver daarentegen is ervan doordrongen dat hij zijn ego aan de kant moet zetten en zich moet richten op de lezer. Wat wil ik dat de lezer begrijpt, voelt en doet? 

Hoe krijg je de focus op de lezer voor elkaar? Het vereist dat je je continu bewust bent van het effect van wat je schrijft. Bij elk feit, elk argument, elke zin en eigenlijk elk woord moet je jezelf afvragen: hoe komt dit over? Begrijpt de lezer wat ik bedoel? Moet hij lachen? Komt hij zo in actie? 

Doe bijvoorbeeld wat Stephen King aanraadde in zijn onvolprezen boek On Writing: ‘I write for an audience of one: my Ideal Reader.’ King schreef altijd voor één specifieke persoon in gedachten: zijn vrouw Tabitha. Niet voor zichzelf, niet voor zijn critici, maar voor haar. En als een advies goed genoeg is voor King (meer dan vierhonderd miljoen verkochte boeken), dan is het ook goed genoeg voor ons, gewone stervelingen. Probeer het eens. Plak een foto van je ideale lezer op het prikbord boven je computer en schrijf voor hem. Niet voor jezelf. 

Wat schrijvers kunnen leren van journalisten

Wat schrijvers kunnen leren van journalisten

Je kunt veel leren van journalisten als je een non-fictieboek gaat schrijven. Zeven onmisbare lessen voor schrijvers die de lat hoger willen leggen.

Wat auteurs meestal maar een keer in hun leven doen, doen journalisten elke dag: actuele, originele, overtuigende non-fictie schrijven. De meesten zijn er zelfs voor naar school geweest. Net als ik. Ik volgde de School voor de Journalistiek voordat ik na wat omwegen in de wereld van boeken belandde. Wat een journalist tijdens zijn opleiding leert, en wat hij elke dag in de praktijk brengt, is goud waard voor schrijvers van non-fictieboeken. Ik heb de zeven belangrijkste lessen voor je op een rij gezet. 

Breng iets nieuws

Het is de taak van een journalist om elke dag met vers nieuws te komen. De volgende dag is zijn verhaal alleen nog goed om de vis in te verpakken. De lat ligt hoog. Hoofdredacteuren, chef-redacteuren, collega’s en natuurlijk lezers wijzen de luie journalist die met oud nieuws komt genadeloos op zijn falen. Wie in de journalistiek wil scoren, zorgt voor primeurs. 

Wil je een boek schrijven? Kom met iets nieuws. 

Check de feiten

Een nieuwe generatie critici maakt het verwijt dat de tradionele media onzin verkopen. Wat ironisch is, want zelf hechten ze geen moeite met desinformatie. Ik denk dat ze niet weten hoe consciëntieus de gemiddelde journalist te werk gaat. Het is zijn taak om onafhankelijk de waarheid te beschrijven. Daarvoor checkt hij alle feiten, kritisch gevolgd door de eindredacteur die elk artikel controleert voordat het wordt gepubliceerd.

Rust niet voordat je zeker weet dat elk feit in je boek klopt.

Verifieer je bronnen

Informatie kun je overal krijgen, maar is de informatie ook betrouwbaar? Voordat je opschrijft wat je hebt gelezen of gehoord, zul je de bron kritisch moeten beoordelen. Zijn de feiten die je leest in een artikel gebaseerd op betrouwbaar onderzoek? Is de persoon die je spreekt wel oprecht of heeft hij verborgen belangen? 

Als kind heb je vast een keer meegedaan aan een ‘doorvertelverhaal’ waarbij er weinig over was van de originele boodschap nadat hij door tien kinderen was doorverteld. Als je niet oppast, word de informatie in jouw boek even dubieus. 

Pas hoor en wederhoor toe

In de journalistiek is het een goed gebruik om informatie die je van een bron hebt gekregen, bij diezelfde bron te verifiëren. Heb je het goed begrepen? Ontbreekt er context? Hoe scherper of explosiever een uitspraak, hoe belangrijker deze stap is. De ‘wederhoor’ schrijft voor dat de journalist vervolgens op zoek gaat naar iemand met een andere visie, en in het bijzonder naar de persoon of organisatie die door een bron in een kwaad daglicht wordt gesteld. Die moet de kans krijgen te reageren voordat het verhaal verschijnt. Of je boek. 

Scheid feiten en meningen

Hoewel steeds meer kranten, tijdschriften en online media bol staan van de meningen, bijvoorbeeld in de vorm van columns of analyses, zijn ze nog altijd gescheiden van de nieuwsartikelen. Dat is belangrijk, er is een wezenlijk verschil tussen de twee. Een feit is controleerbaar en onafhankelijk van de waarnemer of de journalist. Een huis stond in brand, of niet. Een mening is een oordeel dat van persoon tot persoon kan verschillen. De een vindt het erg dat het huis is afgebrand, de ander niet.

Kan de lezer de feiten en meningen in jouw boek onderscheiden?

Begin met het belangrijkste nieuws

Journalisten leren om een artikel te beginnen met het belangrijkste nieuws. Dat is handig voor de lezer: de informatie waarmee het artikel begint, zal beter blijven plakken. Bovendien kan de lezer de rest van het artikel overslaan als hij weinig tijd heeft. 

Veel schrijvers van non-fictieboeken hebben de neiging om net als thrillerschrijvers te eindigen met het belangrijkste nieuws. Dan ga je er onterecht vanuit dat elke lezer jouw boek even aandachtig leest. 

Still uit de film Hamnet bij een blog over de voordelen van lezen en kijken

Kijk je vanavond Netflix of lees je een boek?

Ik ben gisteren naar de film Hamnet geweest. Mevrouw B. en ik waren toe aan een avond uit en in de bioscoop vlakbij mijn huis draaide de film waarvan de hoofdrolspeelster net een Oscar had gewonnen. Ik heb geen spijt: het is een indrukwekkende film. Maar ik had gisteren natuurlijk ook het boek kunnen lezen waarop de film is gebaseerd. Voor 5,49 euro had ik het gelijknamige vijfsterrenboek van Maggie O’Farrell kunnen downloaden. Dat is nog niet de helft van een bioscoopkaartje en bovendien had ik dan niet één, maar makkelijk drie of vier avonden leesplezier gehad van het verhaal. Heb ik de juiste keuze gemaakt? En maak jij vanavond de juiste keuze? Kijk je naar Netflix of lees je een boek?

Big Mac of volkorenboterham

Ik heb in de loop van de jaren veel wetenschappelijk onderzoek voorbij zien komen en de resultaten waren zelden tot nooit positief – als je van boeken houdt. Wat je criteria ook zijn, bij herhaling blijkt helaas dat lezen weinig voordelen heeft ten opzichte van kijken. Als je meer wilt weten over vrouwenhaat kun je Men Who Hate Women van de Britse journalist Laura Bates lezen, maar je kunt ook op Netflix kijken naar Inside the Manosphere van documentairemaker Louis Theroux. 

Lezen heeft eigenlijk maar één aantoonbaar voordeel: meer dan kijken vergroot lezen je woordenschat en gevoel voor taal. 

Ja maar, zullen jij-bakkers zeggen: een film als Hamnet bevat toch ook taal? Zeker, maar die taal is vluchtiger en minder dwingend. Een film voert je mee: je begrijpt zonder dat je hoeft te formuleren, je voelt zonder dat je hoeft te expliciteren. Precies daarin schuilt de beperking. Je wordt er lui van. Een kijker is een consument. Een lezer is een producent. 

Als het doel louter vermaak is, dan wint een film het van het boek, zoals een Big Mac het ook wint van een volkorenboterham met kaas. Maar als het doel is om slimmer te worden, dan wint het boek het van de film omdat taal essentieel is voor menselijke intelligentie. 

De grenzen van je taal

Denken kan niet zonder taal. Redeneren, verbanden leggen en argumenten wegen zijn geen vage, intuïtieve processen, maar talige handelingen: je benoemt, onderscheidt, ordent en concludeert. Dat doe je als je schrijft en dat doe je als je leest. Je herkauwt begrippen tot je ze begrijpt, je weegt aannames tot je weet wat ze waard zijn en je bouwt redeneringen tot ze recht overeind staan zonder om te vallen na een zuchtje kritiek. 

Filosoof Ludwig Wittgenstein waarschuwde dat de grenzen van je taal ook de grenzen van je wereld zijn: wat je niet onder woorden kunt brengen, kun je ook niet onderzoeken of bekritiseren. Door veel te lezen, word je slimmer. ’s Avonds lees je een roman van Jonathan Franzen en ’s ochtends tijdens het ochtendoverleg is het makkelijker om de drogredenen van je nieuwe baas te herkennen en argumenten te formuleren waarom alles anders moet. 

Dus, wat zal ik vanavond eens doen: zal ik het nieuwe boek van Rob van Essen lezen of op Netflix naar die Spaanse serie kijken? Ik denk toch dat het die serie wordt, ik heb vandaag per slot van rekening al een blog geschreven. 

Feedback van AI

Laat je boek lezen door je ex. Of AI

Natuurlijk ben jij een geweldige schrijver. Maar misschien kun je nog beter worden als je je manuscript laat lezen door je ex. Of door gebruik te maken van AI. Wedden dat je nog niet hebt gedacht aan deze zeven toepassingen?

Eind jaren zestig deden twee Amerikaanse sociaal-psychologen, Bibb Latané en John Darley, een eenvoudig maar veelzeggend experiment. Deelnemers kregen een vragenlijst en moesten plaatsnemen in een rustige kamer om die lijst in te vullen. Niets bijzonders – totdat er langzaam rook de kamer begon binnen te drijven via een ventilatierooster.

Wanneer iemand alleen in de kamer zat, gebeurde er meestal wat je zou verwachten. De meeste deelnemers keken op, twijfelden even, en stonden vervolgens op om iemand te waarschuwen.

Soms zat de deelnemer echter niet alleen. In de kamer zaten dan ook twee acteurs die vooraf instructies hadden gekregen om rustig te blijven zitten en te doen alsof er niets aan de hand was. Toen de rook opnieuw de kamer binnenkwam, gebeurde er iets opvallends. De echte deelnemer keek naar de anderen. Die bleven kalm hun vragenlijst invullen. Niemand zei iets. Niemand stond op. En dus bleven de meeste deelnemers zelf ook zitten. In deze situatie meldde ongeveer één op de tien de rook.

Het experiment liet iets ongemakkelijks zien over menselijk gedrag. We hebben de neiging om onze mening af te laten hangen van een ander. In die situatie zit jij als schrijver misschien ook. Je laat het manuscript van je nieuwe boek waarschijnlijk lezen door mensen die niet zo kritisch zijn – een partner, een vriend of een collega – en daardoor valt het je niet op dat je boek in brand staat. Je kunt een uitslaande brand gelukkig goed voorkomen door je boek te laten lezen door een ander. In het ideale geval je ex. Of door gebruik te maken van AI. 

Wat is het saaiste hoofdstuk?

Ook jij laat je vast helpen door kunstmatige intelligentie bij het opstellen van de structuur of het zoeken van interessante feiten. Gelijk heb je, als je de resultaten van een platform als ChatGPT of Claude kritisch beoordeelt, kun je er veel aan hebben.  Maar heb je al gedacht aan de volgende zeven toepassingen?

Wat is het ‘saaiste’ deel van je boek?

Vraag AI wanneer de gemiddelde lezer jouw boek dichtslaat omdat het begint te vervelen. Of vraag welke passages, paragrafen of hoofdstukken saai zijn. 

Gebruik AI als ‘domme lezer’

Laat AI doen alsof het niets van je onderwerp weet en vraag welke passages onduidelijk zijn. Bedenk dat er altijd lezers zullen zijn die blanco aan je boek beginnen. 

Test je titel

AI is vooralsnog niet in staat om aantrekkelijke titels te bedenken, maar geef AI een conceptversie van je titel en ondertitel, en het vertelt je feilloos wat lezers bij die titel verwachten. 

Test je betoog

Is je boek opgebouwd als een betoog? Vraag AI dan om de stappen uit je tekst te formuleren als een beslisboom. Zo zie je of je betoog logisch is.

Laat AI interviewvragen stellen aan je boek

Vraag AI om interviewvragen te formuleren. Geef AI bijvoorbeeld de rol van een serieuze NRC-journalist of een ordinaire influencer. Hun vragen onthullen vaak onuitgewerkte ideeën.

Laat AI zoeken naar je stopwoorden

We hebben allemaal stopwoorden: overbodige woorden die we enthousiast door de tekst strooien. Zelf misbruik ik bijvoorbeeld het woord ‘ook’. AI vindt ze vlekkeloos. 

Laat je wijzen op gedachtesprongen

Als expert ken je je onderwerp door en door. Dan sla je in je redenering soms stappen over. AI kan die gedachtesprongen aanwijzen.

Deze toepassingen heb ik vaker gebruikt voor de manuscripten die ik moest beoordelen. Welke gebruik jij? 

Wat schrijvers kunnen leren van muzikanten

Wat schrijvers kunnen leren van Taylor Swift

Muzikanten weten dat er geen droog brood meer is te verdienen met de verkoop van muziekstreams. Daarom treden ze op. Ook iets voor jou, als schrijver van een non-fictieboek?

In 1989 verdiende Michael Jackson naar schatting 125 miljoen dollar aan platenverkopen. In datzelfde jaar verdiende hij 40 miljoen dollar aan optredens en merchandise. Bijna veertig jaar later staat de wereld voor muzikanten op zijn kop. In 2023 verdiende een nieuwe wereldster, Taylor Swift, 50 miljoen dollar met haar muziekstreams, maar bijna 500 miljoen dollar met concertoptredens. 

Deze bedragen zijn slechts ruwe schattingen van muziekmedia, maar ze geven wel de trend aan: muzikanten verdienen tegenwoordig aanzienlijk minder met de verkoop van hun muziek. Alternatieve inkomstenbronnen, zoals optredens en merchandise, zijn nu veel belangrijker. Dat geldt niet alleen voor wereldsterren, maar zeker ook voor ‘kleine sterren’. In 2025 vertelde singer-songwriter Tamara van Esch tegen NPO Radio 1 dat ze niet van streaminginkomsten kan leven. Ze treedt soms op, ook met andere artiesten, en heeft een baan buiten de muziek. ‘Ik ken niemand die van streaming kan leven.’

Voor veruit de meeste auteurs van non-fictieboeken geldt hetzelfde. Ze verdienen weinig tot niets met de verkoop van hun boeken. Sterker nog: ik denk dat er in Nederland waarschijnlijk meer muzikanten zijn dan schrijvers die van hun verkopen kunnen leven. Uit de losse pols: om een modaal salaris te verdienen met je boeken zou je dit jaar al vlug vijfentwintigduizend exemplaren moeten verkopen. Er zijn maar weinig schrijvers die daarin slagen. En ja, er is natuurlijk weleens een auteur met een succesvol non-fictieboek die in een jaar veel geld verdient, maar in de jaren daarop moet hij teren op dat tijdelijke succes. 

Juist omdat auteurs zo weinig verdienen met de verkoop van boeken is het jammer dat ze niet doen wat muzikanten doen: optreden.

Op het podium

Alle kennis die je hebt opgedaan om de expert te worden waardoor je een boek kon schrijven, kun je ook op andere manieren exploiteren. Twee voor de hand liggende bezigheden zijn presentaties en trainingen geven. 

Beide bezigheden zijn populairder dan ooit: er zijn aan de lopende band sprekers en trainers nodig. Er is een nieuwe markt van events ontstaan, denk aan Het grootste kennisfestival van Nederland of de evenementen van DenkProducties. Bedrijven organiseren bijvoorbeeld regelmatig bijeenkomsten waarvoor ze talking heads nodig hebben, soms voor de kennis, soms voor de entertainment. Cursussen zijn even populair; veel werknemers hebben volgens hun cao zelfs recht op bijscholing. 

Het is natuurlijk niet makkelijk om op de shortlist van theaterzalen, sprekersbureaus, trainingsbureaus en bedrijven te komen, maar het is ook niet onmogelijk. Maar je moet het wel proberen om een kans te maken, en daar gaat het al mis. 

Veruit de meeste auteurs die ik ken, en van wie wij boeken uitgeven, treden niet op. Niet omdat ze het niet zouden kunnen of omdat ze niets te vertellen zouden hebben, maar omdat het er niet van komt. Tegen de tijd dat hun boek verschijnt, hebben ze net een nieuwe baan, een nieuw project, een nieuwe partner of een nieuw kind. De uitdaging om een presentatie of een cursus voor te bereiden en daarmee de boer op te gaan, wordt op de lange baan geschoven. Doodzonde. Het is niet alleen zonde omdat daarmee interessante inkomsten wegvallen (presentaties en cursussen zijn lucratief), maar ook omdat daarmee waardevolle kennis verloren gaat. 

Luister vanavond eens naar Veilig, Voort of Trechter van Tamara van Esch, en vraag je af wat jij allemaal kunt doen om je boek te recyclen. Of beter nog: koop een kaartje voor een optreden van deze zangeres; op 22 maart kun je haar bijvoorbeeld zien en horen in Gigant in Apeldoorn. Kun je meteen dat podium bestuderen, hoe zou dat zijn, zelf optreden?

Blog over plagiaat

Wat moet je doen als iemand de ideeën uit je boek jat?

Moet je als auteur van een non-fictieboek direct naar de rechter rennen als iemand iets heeft gepikt uit je boek, of moet je eerst tot tien tellen? 

Als je jarenlang aan een boek hebt gewerkt, is het zuur als een ander met jouw ideeën aan de haal gaat. Het overkwam een van onze auteurs. Hij ontdekte in een nieuwe titel over zijn eigen vakgebied dat de betreffende schrijver feiten en visies verkondigde die alleen van hem afkomstig konden zijn. Hij, noch zijn boek, werden in het boek genoemd. Wat het extra opvallend maakte, was dat de schrijver enkele jaren geleden trainingen bij onze auteur had gevolgd. 

Onze auteur beklaagde zich bij de uitgever van het boek. Na enkele weken volgde een reactie van de schrijver. In een vijftien pagina’s lang epistel gaf ze aan dat haar niets te verwijten valt, maar ze draaide om veel concrete aantijgingen heen. Wat nu? 

Uiteindelijk besloot onze auteur om de handdoek in de ring te gooien. Hij was al niet onder de indruk van de kwaliteit van het boek en verwachtte er weinig concurrentie van. Bovendien had hij geen zin in een langdurige juridische procedure. Ik kon hem geen ongelijk geven: de kans is groot dat je wel gelijk hebt, maar geen gelijk krijgt. Wat je zeker weet, is dat je veel geld kwijt bent aan de ondersteuning van een gespecialiseerde advocaat. Dat kost je meestal meer dan je eigen boek ooit kan opleveren.

Het is een bekend dilemma. Iemand anders gaat er met de ideeën uit je boek vandoor. Je zou denken dat dat nooit mag, maar juridisch gezien ligt dat genuanceerder.

Knippen en plakken

 ‘Ideeën’ zijn helaas niet te beschermen. Alleen concrete uitwerkingen zijn auteursrechtelijk beschermd. Dat betekent: de exacte tekst, de formuleringen, de specifieke opbouw en de originele selectie en ordening van de inhoud. Niet het idee zelf, niet het onderwerp en niet de onderliggende feiten. Wie dus dezelfde gedachtegang, theorie of invalshoek gebruikt, maar die in zijn eigen woorden en met een eigen uitwerking presenteert, pleegt in principe geen auteursrechtinbreuk. Dat voelt voor auteurs vaak onrechtvaardig, maar juridisch is het onderscheid helder: het auteursrecht beschermt de vorm, niet de gedachte. Ook de stijl, toon en algemene structuur zijn moeilijk te claimen, tenzij er sprake is van een heel herkenbare vorm die aantoonbaar is overgenomen.

In de praktijk draait het daarom vrijwel altijd om de vraag of er sprake is van knippen en plakken. Zijn er passages die inhoudelijk én qua formulering (sterk) overeenkomen? Is de opbouw opvallend gelijk, inclusief specifieke keuzes in volgorde, voorbeelden en argumentatielijn? Of blijft de overeenkomst steken op het niveau van thema’s, inzichten en conclusies? In dat laatste geval sta je juridisch zwak.

Juridisch gezien sta je dus niet sterk als je een rectificatie of zelfs een publicatieverbod vraagt aan een andere auteur of uitgever. Maar ook ethisch gezien zijn er vraagtekens te plaatsen bij een al te activistische houding. In hoeverre pleeg je zelf ‘plagiaat’? 

Grazen

Ik ben als schrijver, uitgever en oud-journalist een groot voorstander van het respecteren van andermans auteursrecht, maar ik ben me er mede door mijn werk ook van bewust dat we allemaal jatten. Hoe geniaal onze boeken, ideeën of zinnen ook zijn, ze zijn niet door ons in een vacuüm bedacht. We lopen de hele dag te grazen, thuis en op het werk, online en offline. De kennis die we daarmee vergaren, hebben we zelf verteerd, maar zonder de kennis en ervaringen van anderen hadden we waarschijnlijk een lege maag gehad. In deze tijd van internet en kunstmatige intelligentie geldt dat meer dan ooit. 

Het erkennen en krijgen van auteursrechten lijkt dus zowel moreel als juridisch een mijnenveld, maar niets is minder waar. Er is namelijk een even effectieve als simpele oplossing om het iedereen naar de zin te maken: erken als auteur de invloed van anderen. 

Ik denk dat onze auteur geen klacht had ingediend als de schrijver hem in haar boek vriendelijk had bedankt voor zijn invloed, al was het maar in een nawoord. Veel conflicten over auteursrecht gaan niet over geld, maar over erkenning. Met een bedankje, een citaat of een bronvermelding voorkom je als auteur veel ergernis bij anderen. Kleine moeite, groot plezier. 

Wat is een goed boek?

Wat is een goed boek? 

Er zijn drie regels waar je je aan kunt houden. Maar of dat gegarandeerd een goed boek oplevert? 

Ik sprak een auteur die bezig is met het schrijven van een boek. Ik had veel kritiek op de eerste teksten die hij had geschreven, maar gelukkig stelde hij mijn reactie op prijs en hadden we een enerverend gesprek. Plotseling vroeg hij mij: ‘Wat is eigenlijk een goed boek?’ Ik ben al heel lang uitgever van boeken, maar ik kan me niet herinneren dat iemand mij deze vraag zo direct stelde.

Elke boekverkoper kan je vertellen dat drie verschillende mensen drie verschillende soorten boeken zoeken. Eerst loopt er een dame binnen die voor haar vakantie op zoek is naar ‘een romantisch boek dat zich afspeelt op een tropisch eiland’. Een volgende klant zoekt een ‘spannend boek waarin aliens voorkomen’. En de derde bezoeker zoekt een ‘literair boek over autisme’. Op basis hiervan zou je zomaar kunnen denken dat er dus niets universeels te zeggen is over de kwaliteit van boeken, maar de verschillende smaak van lezers zegt alleen iets over hun belangstelling voor een genre. Iedere lezer wil volgens mij een goed boek, of het nou een kinderboek, een kookboek, een thriller of een literaire roman is. En wie wil er nou een slecht boek, dat is net zoiets als een voorkeur hebben voor een gammele auto zonder remmen, lichten of vering. 

Drie kenmerken

Ik was verrast door de vraag van de auteur, maar ik kon hem wel direct een antwoord geven. Ik denk dat een goed boek namelijk aan elk van de volgende drie kenmerken moet voldoen. Met de nadruk op ‘elk’: een vis is ook pas een vis als hij onder water leeft, ademt met kieuwen en koudbloedig is. 

Een goed boek schrijven begint volgens mij met het bedenken van een originele en scherpe invalshoek. Focus geeft je als auteur richting bij het schrijven, en focus geeft de lezer houvast bij het lezen.

Het tweede kenmerk is structuur. Zonder een logische structuur is een boek slechts een samenraapsel van letters, even aantrekkelijk als een vuilnisbelt. 

Het derde kenmerk van een goed boek is een aantrekkelijke schrijfstijl. Je formuleringen moeten je gedachten direct en ondubbelzinnig overbrengen. De inhoud mag best tegendraads of moeilijk zijn, maar niet verpakt in slordige, vage of omslachtige zinnen. Tegelijk heeft de vorm van je boek ook een eigen waarde. Heeft jouw boek een eigen geluid, zoals ook de muziek van uiteenlopende muzikanten als Bob Dylan, Billie Eilish, Sting of Lana Del Rey dat heeft?

Zen en de kunst van boeken schrijven

Dat is alles, drie simpele leefregels om je aan te houden als auteur? Nou nee, natuurlijk niet. Kwaliteit laat zich niet zomaar omschrijven met een handvol trucs. 

Ik moest denken aan het onvolprezen boek Zen and the art of motorcycle maintenance van Robert Pirsig uit 1974. In zijn boek beschrijft Pirsig een motorreis met zijn zoon en intussen probeert hij al sleutelend aan zijn motor een antwoord te krijgen op de filosofische vraag: wat is kwaliteit? Ooit probeerde hij die vraag academisch en exact te beantwoorden, maar liep daarmee vast. 

Pirsig ontdekt tijdens de reis dat kwaliteit zich niet netjes laat vangen in objectieve lijstjes, maar ook niet in puur subjectieve smaak: ‘Ik vind het mooi, dus is het goed.’ Hij concludeert dat kwaliteit hier eigenlijk los van staat. Hij gebruikt motoronderhoud als metafoor. Twee mensen kunnen dezelfde motor repareren: de één werkt gehaast en volgens het boekje, de ander met aandacht, begrip en betrokkenheid. Technisch kan het resultaat hetzelfde zijn, maar de ervaring van kwaliteit is anders. Niet omdat er een truc is toegepast, maar omdat er zorg, helderheid en vakmanschap in het proces zitten.

Pirsigs inzicht is daarmee ongemakkelijk maar verhelderend: kwaliteit is geen formule die je toepast, maar een norm die je tijdens het maken voortdurend moet herkennen en toepassen. Niet achteraf, maar op het moment zelf — in elke alinea, elke overgang en elke keuze. En precies daarom is de vraag ‘Wat is een goed boek?’ geen theoretische puzzel, maar een praktische discipline waarvoor geen simpele checklist ooit voldoende zal zijn.

Dat maakt ook de vraag naar een goed boek lastiger dan zij lijkt. Invalshoek, structuur en stijl zijn geen kenmerken die je simpelweg kunt afvinken. Ze leveren alleen een goed boek op als ze gedragen worden door iets fundamentelers: precisie in denken, aandacht in formuleren en consequentie in opbouw. Je kunt de regels volgen en toch een dood boek schrijven, net zoals je de regels op onderdelen kunt overtreden en toch een overtuigend geheel kunt creëren.