Skip to main content

Tag: Schrijven

Waarom je tweede boek gaat mislukken (en wat je ertegen kunt doen)

Kun je ervoor zorgen dat je tweede boek net zo’n succes wordt als je eerste boek? Als je de volgende denkfout niet maakt, kun je de Vloek van de Eerste voorkomen. 

In de klassieke muziek heerst de Vloek van de Negende. Volgens de mythe sterven componisten rond het schrijven van hun negende symfonie. De mythe is gebaseerd op het feit dat een opvallend groot aantal beroemde componisten, waaronder Ludwig van Beethoven, Anton Bruckner, Franz Schubert en Gustav Mahler overleden voordat ze een tiende konden schrijven. 

De wortels van de mythe liggen in de negende symfonie van Beethoven. Zijn negende was revolutionair. Hij experimenteerde met koren en solisten, met de lengte en complexiteit van delen en nieuwe, emotionele melodieën. De finale van het werk is de veel bejubelde ‘Ode an die Freude’, waarin een koor het gelijknamige gedicht van Friedrich Schiller zingt, met een boodschap van universele broederschap en vreugde. De symfonie was een sensatie, de enige die het niet doorhad was Beethoven zelf. Tijdens de eerste uitvoering in 1824, precies tweehonderd jaar geleden, was de componist al volledig doof. Na het laatste deel bleef Beethoven met zijn rug naar het publiek staan omdat hij het applaus niet kon horen. Pas nadat een van de solisten hem omdraaide, zag hij het ovationele applaus van het Weense publiek. Na het succes van de negende ging het bergafwaarts met de gezondheid van Beethoven, voor een tiende symfonie kwam hij niet verder dan wat schetsen. Drie jaar na de vervolmaking van zijn meesterwerk overleed hij, waarmee de vloek was geboren.

Er is natuurlijk geen kosmische wet die bepaalt dat je overlijdt zodra je een specifiek aantal symfonieën, brieven of boeken hebt geschreven. Maar een vloek is volgens mij niet vergezocht, integendeel, volgens mij is er zelfs een Vloek van de Eerste. De vloek komt meestal uit als auteurs korte tijd na hun eerste publicatie een nieuw boek schrijven, ervan overtuigd dat het succes van hun eerste vooral te danken te danken was aan hun talent. Meestal komen ze bedrogen uit en beseffen ze vroeg of laat dat ze een one hit wonder zijn. Dat wil jij natuurlijk niet, dus wat kun je doen om ervoor te zorgen dat je tweede boek ook een hit wordt? Natuurlijk gelden voor alle boeken dezelfde succesfactoren; elk boek moet een originele invalshoek, een aantrekkelijke titel en een goede cover hebben. Maar volgens mij is er een denkfout die er vaak toe leidt dat een tweede boek niet aanslaat. 

‘De lust is eraf’

Je eerste non-fictieboek is vaak de optelsom van jaren in het veld. Je hebt als adviseur jarenlang ervaren hoe het eraan toegaat op de werkvloer en in de bestuurskamer; intussen heb je je ergernissen en oplossingen aangescherpt door er met talloze mensen over te praten. Op een dag beschrijf je alles wat je hebt bedacht in een manuscript. Zo’n manuscript is dan een sterk geconcentreerd en explosief mengsel van goed doordachte ideeën, opschreven met het vuur van een revolutionair voor wie de beoogde verandering een kwestie is van leven en dood. Als je boek verschijnt, raakt jouw emotionele betoog een gevoelige snaar bij lezers die jouw ideeën herkennen. De denkfout bij het schrijven van een tweede boek, is dat zo’n nieuw boek geen nieuwe ideeën of heilig vuur nodig heeft. Dat heeft het natuurlijk wel. Als je als advocaat een boek hebt geschreven over echtscheidingen, is er niets op tegen om na enige tijd nog een boek over dit onderwerp te schrijven. Maar heb je wel een nieuwe invalhoek? Heb je je ideeën voldoende laten rijpen? Heb je voldoende nieuwe anekdotes? 

Een tweede boek is moeilijk, in de woorden van Harry Mulisch: ‘Na het eerste boek ben je geen maagd meer. Je weet wat er moet gebeuren, maar de lust is er af.’ Als je hetzelfde succes wilt behalen, moet je in je tweede boek evenveel investeren als in je eerste boek. En het moeilijkste is ongetwijfeld om dat met evenveel liefde te doen.

Jouw schrijfstijl is uniek

Jouw schrijfstijl blijkt zo uniek als je vingerafdruk. Dat is niet alleen goed nieuws. 

Het belangrijkste literaire nieuws kwam deze week uit onverwachte hoek. Het Nederlands Forensisch Instituut publiceerde een persbericht waarin het verslag deed van een bijzondere rechtszaak waarin onderzoek van het instituut een hoofdrol speelde. 

Een boekhouder wordt dood gevonden met een strop om zijn nek, maar de politie betwijfelt of het zelfmoord is. Het slachtoffer zou de daad hebben gepleegd nadat hij een groot bedrag heeft overgemaakt, en deze overboeking hebben verklaard in een e-mail. Achteraf blijkt dat de ontvanger van het geld de moordenaar is van de boekhouder. Het bewijs wordt geleverd door onderzoekers van het instituut die onderzoek doen naar de tekst in de e-mail. De stijl zou onmiskenbaar van de dader zijn. 

Het onderzoek werd uitgevoerd door informatici en linguïsten. Tijdens hun onderzoek gingen ze niet zozeer op zoek naar woorden die bij een specifiek onderwerp passen, maar juist naar alledaagse, veelgebruikte woorden: voorzetsels, lidwoorden en persoonlijke voornaamwoorden, zoals dus, je, het, een, is en zijn. Volgens de onderzoekers gebruiken we die allemaal op een andere manier, en in verschillende mate. We doen het bovendien onbewust, en het is dus lastig om andermans stijl te imiteren. Daarnaast letten de taalkundigen van het NFI op bijzonderheden, bijvoorbeeld op het gebruik van uitroeptekens, verhaspelde gezegdes en taalfouten.

Het bijzondere van dit nieuws is niet alleen dat de experts van het instituut er met veel kennis van taal (en een flinke dosis kunstmatige intelligentie) in slaagden een moordenaar aan te wijzen. De onderzoeksresultaten vormen ook nieuw en overtuigend bewijs dat elke schrijver een eigen stijl heeft. Jij, ik, iedereen. Dat is goed nieuws, onze stijl is blijkbaar even uniek als onze vingerafdruk. Maar het is volgens mij ook slecht nieuws, en niet alleen als je een misdaad in andermans schoenen wilt schuiven. 

Als jouw schrijfstijl uniek is, is het dus per definitie moeilijk tot onmogelijk om jezelf een andere stijl aan te meten. Je kunt dus niet zomaar besluiten om in de stijl van Jan Brokken, Simone van der Vlugt of Jos Burgers te gaan schrijven. En dat jouw stijl uniek is en deze onbewust toepast, betekent ook dat het lastig is om je eigen stijl te verbeteren. Als je wilt kunnen schrijven zoals Janine Jansen viool kan spelen, dan moet je erop rekenen dat je daarvoor wel een paar uur moet oefenen. Of een paar duizend. Dat is frustrerend als je haast hebt, maar het houdt je van de straat. En dat is mooi, want dan heb je ook geen tijd voor snode plannen.

Ode aan de witregel

De witregel is het stiefkind van onze taal. Een ode aan een stijlmiddel waarmee je iets kunt maken van niets. 

Wij moderne mensen zijn in het dagelijks leven niet zo bezig met niets. Iets, dat is pas waardevol. Een auto, een huis, een elektrische fiets, een iPhone: iets is wat we willen. Niets, wat heb je daar nou aan. Tot we niets missen, dan realiseren we pas dat iets er niet is. Je neemt het ononderbroken uitzicht boven de polder voor lief, tot er een windmolen verschijnt waardoor er ineens iets is in plaats van niets. 
Onze ambivalente houding met niets zie je terug in de taal. We zijn heel druk met letters en leestekens, maar we hebben weinig aandacht voor de ruimte eromheen. Dat is jammer, want zonder die ruimte was onze tekst niet meer dan een inktvlek. Per slot van rekening was de David ook maar een stuk steen tot Michelangelo begon te bikken en ruimte creëerde waar er eerst alleen marmer was. 
Schrijvers hebben allemaal voorkeuren voor fonts en lettertypes, maar ze veranderen bijvoorbeeld zelden iets aan de marges die Word voor hun documenten heeft ingesteld. Aan die ruimte zijn ze gewend, waarom zou je daarmee gaan experimenteren. Een groep dichters deed dat wel, in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Deze dichters braken met traditionele vormen en structuren en onderzochten wat een ander gebruik van witruimte deed met hun poëzie. Een van de eerste was de Amerikaanse dichter E.E. Cummings. Hij had lak aan regels voor spelling en typografie, en de lay-out van zijn gedichten was revolutionair; een inspiratie voor de Nederlandse vijftigers. 
De ruimte rond letters, woorden, zinnen en alinea’s is meer dan lege ruimte. Deels heeft die ruimte een praktische functie, denk bijvoorbeeld aan de spatie. Je kunt het je amper voorstellen, maar tot de zevende of achtste eeuw werden woorden allemaal aan elkaar geschreven. Ergens op de Britse eilanden kwam een monnik op het lumineuze idee om woorden van elkaar te scheiden met spaties. Binnen een paar eeuwen deed iedereen het. 
De ruimte tussen woorden kan ook een inhoudelijke betekenis hebben. De belangrijkste functie is het benadrukken van de structuur van je verhaal. De woorden in deze tekst heb ik niet alleen afgebroken met spaties, komma’s en punten, maar ook door na enkele zinnen te beginnen op een nieuwe regel; ik heb alinea’s gemaakt van zinnen. Als lezer sta je daar niet bij stil, maar onbewust snap je de boodschap van die nieuwe alinea: er volgt nieuwe informatie. Je kunt ook een radicale overgang creëren door een nieuwe paragraaf of een nieuw hoofdstuk te beginnen, voorzien van een tussenkop. Maar er is nog een tussenvorm: de witregel, waarmee je het ritme van de tekst subtiel doorbreekt en zo een overgang naar een volgend onderwerp vormt. Je lezer houdt zijn adem even in, wat zou er nu komen?

Kijk, daar heb je ‘m. Ik moet eerlijk toegeven dat ik deze witregel wat geforceerd heb geplaatst, maar er is natuurlijk ook echt sprake van een overgang. Voorafgaand aan deze witregel heb ik het onderwerp ruimte geïntroduceerd, en heb ik langzaam maar zeker de functie van ruimte in de (geschreven) taal geïntroduceerd. Na deze witregel, gaat het alleen nog over de witregel zelf. Bijvoorbeeld over mijn zorg dat de witregel vaak klakkeloos wordt ingezet. 
Sommige auteurs plaatsen in de manuscripten die wij ontvangen een witregel na elke alinea, wat dubbelop en dus onnodig is. Ik snap wel dat mensen het doen, en tegenwoordig vaker dan ooit. Dit komt door de populariteit van digitale teksten, die zijn opgemaakt volgens de regels van de HyperText Markup Language ofwel HTML. In HTML wordt automatisch een (bescheiden) witruimte geplaatst tussen elke alinea; blader maar eens door willekeurige online teksten, ze hebben het bijna allemaal. Het ontwerp en de ontwikkeling van deze taal was grotendeels het werk van de Brit Tim Berners-Lee, ook wel gezien als de uitvinder van het World Wide Web, en de kans is dus groot dat hij deze witruimte heeft bedacht, mogelijk omdat hij bang was dat teksten op een beeldscherm anders moeilijk leesbaar zouden zijn. Inmiddels zijn teksten op beeldschermen echter even scherp als op papier, dus voor de leesbaarheid heb je eigenlijk geen witregel meer nodig. 
Maar ik denk dat er nog een reden is waarom schrijvers zo vaak witregels plaatsen: ze hebben tijdens het schrijven moeite met het doorzien van de structuur van hun eigen tekst, en plaatsen daarom na elke alinea een witregel om het onderscheid makkelijker te maken. Dat is begrijpelijk, maar niet de oplossing voor het probleem. Elke alinea moet inhoudelijk een eiland op zichzelf zijn. Als de inhoud van alinea’s rommelig is, dan helpt een witregel ook niet. Dan is hij niet meer dan gebakken lucht, een visuele truc om structuur te suggereren die er eigenlijk niet is. 
Schrijf je een boek? Ga dan eens experimenteren met de witregel. Als een alchemist maak je op magische wijze iets van niets. Gebruik ‘m spaarzaam, maar laat ‘m niet links liggen, dat heeft hij niet verdiend. 

Mag Sarah jouw socials schrijven?

Wat zou George Orwell hebben gevonden van AI-bots die je teksten voor sociale media schrijven? ‘Het enige verlangen dat eruit spreekt is het spekken van de eigen bankrekening.’

Ik las deze week dat een start-up zijn teksten op sociale media laat schrijven door Sarah. Sarah is geen mens maar een AI-bot, ontwikkeld door Typetone. Geestelijk vader Sjoerd de Kreij van dit techbedrijf verwoordde de voordelen van zijn chatbot als volgt in de Volkskrant: ‘Sarah ontzorgt als een medewerker voor de prijs van een stagiair.’ Als ik weer zo’n bericht over kunstmatige intelligentie lees waarin het einde der tijden wordt aangekondigd, dan denk ik altijd: wat moet ik daar nou weer van denken. Gelukkig dacht ik direct aan George Orwell, aan wie je het formuleren van een mening altijd zorgeloos kon overlaten. 

Als Orwell nog had geleefd, dan had hij over dit nieuws ongetwijfeld een even kritisch als welluidend essay geschreven. Je kunt je zijn reactie moeiteloos voorstellen omdat hij veel over taal en schrijven heeft geschreven, bijvoorbeeld in zijn essay Why I write uit 1946. Het betoog in dit essay geeft volgens mij voldoende aanknopingspunten om Orwells reactie te bedenken op het inzetten van AI voor je sociale media. 

Orwell beschrijft vier motieven die volgens hem alle schrijvers inspireren: 

Puur egoïsme

Hiermee bedoelt Orwell de wens om slim over te komen, overgeleverd te worden aan de toekomst, en invloed en erkenning te krijgen. Op het eerste gezicht scoort de ondernemer die Sarah inzet hoog op de egoïsmeschaal. Je kunt goede sier maken met teksten die Sarah voor je heeft geschreven. Orwell zou zich echter afvragen hoe houdbaar deze status is. Het is namelijk Sarah die de teksten schrijft, met de inhoud heeft de creditcardhouder die het abonnement op Sarah betaalt niets te maken. Het doet me denken aan marathonloper Rosie Ruiz die tijdens de Boston Marathon in 1980 werd uitgeroepen tot winnaar van de vrouwen. Later bleek dat ze het grootste deel met de metro had gereisd. 

Esthetische geestdrift 

Dit motief gaat over de waardering voor de schoonheid van woorden en de drang om ervaringen en beelden op een esthetisch bevredigende manier te creëren. Hier zou Orwell weinig mooie woorden aan vuil maken, daarvoor zijn de teksten van AI-chatbots nog te onaantrekkelijk. Zowel Sarah als haar opdrachtgever lijken weinig waarde te hechten aan esthetiek. 

De historische prikkel

In de visie van Orwell heb je als schrijver de wens om met je teksten de feiten vast te leggen, de waarheid te vinden en te bewaren. AI-systemen zijn natuurlijk heel deskundig in het vinden van feiten, maar ze vinden niet zelden de verkeerde en ze zijn nog niet betrapt op het vinden van nieuwe, niet eerder ontdekte feiten. Ook door een historische prikkel lijken Sarah en haar gebruikers niet te worden gemotiveerd. Ze zijn niet op zoek naar de waarheid, maar naar klanten. 

Politieke doeleinden

Hieronder verstaat Orwell het verlangen om de wereld te veranderen naar een ideaalbeeld, het streven om ideeën en meningen een bepaalde richting op te sturen. Dit verlangen lijken alle Sarah’s te ontberen: ze zijn juist politiek correct en conformeren zich daarmee aan het wereldbeeld dat de minste kritiek oplevert in een samenleving. Het enige verlangen dat eruit spreekt is het spekken van de eigen bankrekening. Het creëren van een mooiere wereld, de belangrijkste motivatie van socialist Orwell, heeft geen prioriteit.

Ik denk dat ik het wel eens ben met Orwell: Sarah en haar opdrachtgevers worden niet gedreven door idealistische motieven, maar louter door economische motieven. Juist daarom juich ik de inzet voor ‘sociale’ media niet toe; dat zijn in mijn ogen toch teksten die een menselijke hand vereisen om sociaal te kunnen zijn. Net als boeken, zou Orwell zeggen, die in tegenstelling tot Sarah nooit opschepte over zijn werk, maar daarentegen hard oordeelde over zijn literaire nalatenschap: ‘Als ik het werk dat ik geschreven heb doorkijk, zie ik dat ik onveranderlijk levenloze boeken heb geschreven, waar het ontbrak aan politieke gerichtheid, daar heb ik me laten verleiden tot fraaie zinswendingen, passages zonder inhoud, decoratieve adjectieven en in het algemeen onzin.’ Aldus Orwell, de auteur van meesterwerken als Down and out in London and ParisAnimal Farm en 1984. Zou Sarah op een dag ook zo kritisch terugkijken op haar prestaties? 

PS De vertaling uit de laatste alinea is uit de essaybundel Waarom ik schrijf van De Arbeiderspers uit 2020, vertaald door Olaf Brenninkmeijer, Lore Coutinho, Martin Schouten en Arie Storm. 

Delete of niet

Kill your darlings is wreed en onnodig. Je mag je favoriete teksten en ideeën gewoon bewaren, op een dag ben je blij dat je ze niet hebt vermoord. 

Ik ben een digitale hamsteraar. Fysieke spullen die ik niet meer nodig heb, gooi ik zorgeloos weg, maar van digitale informatie kan ik geen afstand nemen. En waarom zou ik ook. Alles wat ik ooit heb geschreven, neemt in de cloud amper een schapenwolkje in beslag. 

Ik bewaar niet alleen kant-en-klare teksten, ik bewaar ook alle letters die van mijn bureau vallen als ik aan het schrijven ben. Want als ik schrijf, ben ik de hele tijd aan het schrappen. Veel tekst verdwijnt dan voor eeuwig met een druk op de delete-knop, maar al het literaire zaagsel waarvan ik denk dat het nog eens van pas kan komen bewaar ik, want je weet maar nooit. 

Volgens mij doe je jezelf en je lezer om twee redenen een groot plezier met het bewaren van ongebruikte teksten. De eerste reden is ongetwijfeld de belangrijkste: door overtollige teksten te schrappen, bespaar je de lezer veel tijd en ergernis. Hij hoeft zich in jouw boek niet door dicht struikgewas te worstelen dat jij hebt laten groeien. Met je digitale kapmes kun je de weg voor hem effenen en er zo voor zorgen dat je lezer snel en comfortabel zijn eindbestemming bereikt. Ik weet het, het is soms pijnlijk om belangrijke feiten of indrukwekkende cases te schrappen, maar als ze geen functie hebben in je boek moet je streng zijn: weg ermee. De Amerikaanse hoogleraar Edgar Dale ontdekte dat we slechts 10 procent onthouden van wat we lezen. Je kunt er dus maar beter voor zorgen dat je tekst zo min mogelijk ruis bevat, zodat je lezer onthoudt wat er volgens jou echt toe doet. 

De tweede reden om ongebruikte teksten te archiveren is dat de informatie die je hebt verwijderd en bewaard later nog van pas kan komen. Je bevindt je in goed gezelschap, recyclen is populair. Als koks bieten gebruiken, gooien ze de restjes niet meer weg, maar maken ze er een puree van. Als Taylor Swift een album maakt, bewaart ze ongebruikte songs voor later. Ze noemt deze songs haar vault tracks. Modeontwerpers grijpen continu terug op oude trends. Ook schrijvers hergebruiken oude teksten en ideeën. Thrillerschrijver Stephen King beschrijft in zijn onvolprezen boek On writing hoe hij oude ideeën, scenes, personages en verhaallijnen hergebruikt. In het boek adviseert King schrijvers om een ​​‘ideeënboek’ bij te houden. Hij vindt het zelfs waardevol om ideeën niet direct te gebruiken, maar ze te laten rijpen. Kom er later op terug, schrijft King, en kijk of je er nog steeds enthousiast over bent.

Hoe begin ik een zin?

Het is helemaal niet makkelijk, een zin schrijven. Waar moet je beginnen?

Waar gaan we dit jaar naartoe op vakantie? Wordt het Frankrijk, Uruguay, Finland, Italië, Canada, Nieuw-Zeeland, de Ardennen, Spanje, Bali, Limburg, Griekenland, Portugal, Peru, Marokko, Texel, Kenia, Noorwegen, Thailand, Japan, IJsland, Vietnam, Oostenrijk, Zeeland, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Sri Lanka, Botswana of Egypte? En wordt het een cultuurvakantie, een wandelvakantie, een zeilvakantie, een fietsvakantie, een culinaire vakantie, een cursusvakantie, een kanovakantie, een luiervakantie, een fotografiereis, een wellnessvakantie, een stedentrip, een wintersportvakantie, een kampeervakantie, een yogaretraite, een paardenvakantie, een survivalvakantie, een duikvakantie, een safarivakantie of een cruisevakantie? 

Het aantal keuzes dat je elke dag moet maken, is duizelingwekkend. Uit onderzoek van hoogleraar psychologie Ap Dijksterhuis uit 2015, blijkt dat Nederlanders ongeveer 22.000 keuzes per dag maken. Dijksterhuis en zijn onderzoekers lieten hiervoor 150 mensen gedurende twee weken een dagboek bijhouden waarin ze alle keuzes opschreven die ze maakten. Het aantal van 22.000 verbaast me niet. Ik krijg al kortsluiting als ik in de supermarkt rijst moet kiezen: Albert Heijn verkoopt 231 soorten rijst van 46 merken. En dan te bedenken dat geen van de respondenten bezig was met het schrijven van een boek. Het aantal keuzes stijgt namelijk exponentieel als je voor een beeldscherm plaatsneemt en aan een zin begint. 

In de (dikke) Van Dale staan ongeveer 250.000 woorden. De grammatica van het Nederlands dicteert dat zinnen over het algemeen beginnen met een onderwerp of een bijwoordelijke bepaling, maar in principe zou elk woord uit de Van Dale als eerste woord van een zin kunnen fungeren. En het aantal woordcombinaties is helemaal onvoorstelbaar. Ik kwam op een schatting van een 1 met 194 nullen. 

En daar zit je dan, met je letters en cijfers, punten en komma’s. Waar moet je beginnen? 

Geen idee

George Miller, een veelgeprezen psycholoog die zich vrijwel zijn hele carrière heeft beziggehouden met taal was heel cynisch over onze kennis over het mechanisme van de denkende mens: ‘We weten niet waarom we zeggen wat we zeggen. We weten niet waarom we begrijpen wat we horen.’ Aan wetenschappers als Miller heb je dus niets, en ik vrees dat ik zelf ook niet weet hoe je de juiste woorden kunt kiezen om de zin te schrijven die zegt wat jij wilt zeggen. Ik zit hier te schrijven en ik verbaas me over de woorden die op mijn beeldscherm verschijnen. Ik zie mijn vingers over het toetsenbord bewegen, maar ze lijken een eigen wil te hebben. Ze schrijven niet wat ik bedenk, ze bedenken zelf wat ik schrijf. 

Wat ik wel weet, is wat mij helpt om dit raadselachtige proces op gang te brengen: ik begin gewoon met schrijven. Al is het onzin, het is in elk geval een zin. Zwalkend door het woordenboek van mijn geheugen vind ik vroeg of laat een ritme en lukt het om de juiste woorden te kiezen en de verkeerde te schrappen. Voordat je denkt dat ik maar wat aanrommel: deze aanpak wordt ook wel freewriting genoemd. Het is een techniek (familie van brainstorming) die je helpt om je gedachten ongeremd op papier te zetten zonder jezelf te censureren. Probeer het eens, in het slechtste geval levert het niets op, maar heb je toch wat geschreven. 

Stijlvol schrijven, met je gulp dicht

Wil je aantrekkelijker schrijven? Begin dan met het omarmen van saaie taalconventies. Het is niet anders. 

Mijn collega’s en ik hebben regelmatig iets te klagen over de schrijfstijl van een auteur. Dan krijgen we vaak de vraag hoe het beter kan. Met zo’n vraag staan wij natuurlijk direct met onze mond vol tanden, want een antwoord is niet makkelijk te geven. Er zijn ontzettend veel factoren die een rol spelen. Om maar een voorbeeld te geven: zelfs de situatie waarin de lezer je boek leest, speelt een rol bij de beleving van jouw schrijfstijl. Het is net als met die fles wijn die op vakantie in Italië heerlijk smaakte, maar thuis lelijk tegenviel. 

Maar laat ik geen smoezen bedenken en gewoon een antwoord proberen te geven op de vraag. Om misverstanden te voorkomen: ik beschrijf hier de kenmerken van een tekst die als stijlvol wordt ervaren. Dat is wat anders dan streven naar een tekst met een persoonlijke stijl. Aantrekkelijk schrijven begint in mijn ogen met stijlvol schrijven, en een persoonlijke stijl is iets dat je na verloop van tijd, bewust of onbewust, ontwikkelt. Vergelijk het maar met kleding: ik probeer te beschrijven hoe je je zo kunt kleden dat andere mensen dat als aantrekkelijk ervaren; smart casual bijvoorbeeld. Stijlvolle kleding en stijlvolle teksten zijn in mijn ogen zo gekozen dat ze sociaal geaccepteerd zijn en daarmee de communicatie bevorderen – en daar was het je toch om te doen?

1. Geen inhoud zonder stijl

Sommige mensen kunnen niet anders dan aantrekkelijk schrijven. Ze schudden moeiteloos de ene na de andere aantrekkelijke zin uit hun mouw. Voor gewone mensen zoals ik is het schrijven van een aantrekkelijke tekst gewoon hard werken. Schaam je niet als je uren zit te puzzelen om een aantrekkelijke alinea te schrijven. Je doet exact hetzelfde als professionals als Ilja Leonard Pfeijffer, Claudia de Breij en Sacha Bronwasser. 

In mijn ogen is er in de taal een asymmetrische relatie tussen inhoud en vorm. Vorm kan prima zonder inhoud, zoals gedichten laten zien, maar inhoud kan niet zonder vorm. Denk daarom niet alleen na over de inhoud van je boek, maar ook en bovenal over de stijl. 

2. Schrijf zonder opsmuk

Gebruik geen overbodige woorden of ingewikkelde zinnen. Schrijf zo eenvoudig mogelijk. Vaktermen, moeilijke woorden en ingewikkelde zinsconstructies zijn soms nodig, maar gebruik ze alleen als ze functioneel zijn en besteed dan extra aandacht aan je formulering. 

3. Maak geen taalfouten

Je kunt nog zo eigentijds gekleed zijn, als je gulp openstaat, loop je toch voor gek. Hetzelfde gebeurt door spelfouten, verkeerde interpunctie en typo’s: jij en je boodschap worden niet of minder serieus genomen. Je mails en manuscripten moeten zo gepolijst zijn dat de lezer moeiteloos over de tekst glijdt. 

4. Componeer kraakheldere zinnen

Een traditionele zin begint met een onderwerp, daarna volgt de persoonsvorm en ten slotte de rest van de zin: de auteur schrijft een boek. Het is prima om bij de compositie van een zin af te wijken van dit soort regels, maar doe dat alleen bewust, spaarzaam en met een helder doel. Wil je alleen spreektaal gebruiken? Zoek dan luisteraars in het café en laat het schrijven voor lezers over aan anderen. 

5. Ruim je boek op 

Niet alleen zinnen, maar elk onderdeel van je tekst moet kraakhelder gestructureerd zijn; ook alinea’s, paragrafen en hoofdstukken. Heeft elk onderdeel een helder onderwerp? Zijn alle onderdelen logisch met elkaar verbonden; is het wellicht nodig om overgangen te gebruiken om van de ene gedachte naar de andere te gaan? Met een logische en herkenbare structuur voorkom je dat de lezer verdwaalt tijdens het lezen, en dat je zelf verdwaalt tijdens het schrijven. 

6. Schrijf levendig en actief

Houd je aan conventies die bewezen effectief zijn, maar voorkom dat je tekst stoffig wordt. Gebruik voldoende eigentijdse woorden, originele zinsconstructies en varieer bijvoorbeeld met je zinslengte. Zoek woorden en zinsconstructies met aantrekkelijke klanken en ritmes. Lees je tekst eens hardop om dit te controleren. 

7. Schrijf (een beetje) beeldend 

Beeldende taal kan je tekst interessanter en begrijpelijker maken. Vergelijk een economische formule met een recept (‘de ingrediënten van deze formule heeft iedereen in huis’) en een dwarse medewerker met een puber (‘je vraagt je na elke deadline af waarom hij zijn huiswerk niet af heeft’). Ook hiervoor geldt echter dat matigheid het effect bevordert: te veel beeldspraak is even ongezond als te veel friet. 

Volgens mij heeft de Nederlander een hekel aan braaf. Schrijven zonder taalfouten? Braaf. Je zinnen zorgvuldig componeren? Schools. Ik snap het wel, maar volgens mij is de angst om als saai te worden gezien (door je te houden aan taalconventies) een denkfout. Door taal te gebruiken die iedereen begrijpt, schep je juist een band met de lezer, die je vervolgens kunt gebruiken om je ideeën over te brengen. Daar is niets saais aan. Wil je opvallen? Schrijf je tekst dan als een little black dress, dan vallen je oorbellen beter op.

Het doet er niet toe waar je boek over gaat

Wil je echt opvallen met je boek? Besteed dan meer aandacht aan je schrijfstijl en minder aan de inhoud. 

In non-fictieboeken heerst de tirannie van de inhoud. Auteurs, uitgevers en lezers denken dat een boek alleen draait om de kennis. De meeste boeken worden dan ook volgepropt met inhoudelijke boodschappen en vooral met de onderbouwing daarvan. Het is goed bedoeld, maar vrij zinloos als het boeken oplevert die niet aantrekkelijk zijn om te lezen. Boodschappen komen alleen over als ze op een aantrekkelijke manier zijn geschreven. 

De meeste non-fictieboeken hebben een eenvoudige boodschap. Eet meer fruit. Zorg goed voor je medewerkers. Wees aardiger voor je klanten. Om je lezers te overtuigen van deze heldere boodschappen is het volgens mij niet nodig om ze te bombarderen met feiten, argumenten en voorbeelden. Ik zie dit als de literaire tactiek van de verschroeide aarde. Alle verkeerde gedachten van de lezer worden door de schrijver botweg vernietigd. De schrijver zegt tegen de lezer: ‘Je bent een stommeling, je hebt er geen verstand van en je ziet het allemaal verkeerd.’ 

Er is een andere manier. Je kunt de lezer ook verleiden om naar de wereld te kijken door jouw ogen. Dat doe je niet met feiten, maar met stijl. 

Verleiden

Neem het boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid van Yuval Noah Harari. Hij bespreekt complexe theorieën en controversiële ideeën, maar met een aanstekelijke flair. Humor, heldere taal en scherpe observaties maken dit boek aantrekkelijk om te lezen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor Rampjaar 1672 van historicus Luc Panhuysen die er ook in slaagde om historisch complexe gebeurtenissen zo te verpakken dat een romanschrijver er zijn vingers bij zou aflikken. Je hebt bij beide heren nergens het gevoel dat ze je de les proberen te lezen, terwijl ze toch traditioneel ‘saaie geschiedenisboeken’ hebben geschreven. Ze zijn je aan het verleiden. Ze hebben duidelijk hun best gedaan om je in te pakken met hun taal. Elk woord en elke zin staat op z’n plek.  

Natuurlijk heb je als schrijver van een non-fictieboek een boodschap nodig, evenals feiten en argumenten. Maar zodra je dat raamwerk hebt gebouwd, moet je de focus verschuiven naar je schrijfstijl. Hoe zal ik dit hoofdstuk openen? Nuchter of met humor? Gebruik ik hier te veel containertermen? Kan deze zin actiever? Moet hij langer of korter? Zal ik de lezer hier rechtstreeks aanspreken? Is deze formulering te veel spreektaal, of is het acceptabel? Staan er niet te veel werkwoorden in deze zin? Klopt de interpunctie wel? Zijn dit niet te veel korte zinnen? Te veel lange zinnen? Zal ik dit cliché verwijderen, of is het juist heel effectief in deze context? Kan ik hier een metafoor gebruiken? Het zijn dit soort vragen over je schrijfstijl waar je tijdens het schrijven mee bezig moet zijn. De inhoud zou tegen die tijd bijzaak moeten zijn. Als schrijver heb je een date met een lezer. Probeer dan voorkomend, aardig en geïnteresseerd voor de dag te komen. Fris jezelf op en trek je beste kleren aan. Zeg niet tegen je gesprekspartner dat hij een stommeling is, maar vertel wat leuke verhalen en probeer vooral goed te luisteren. Als je lezer een leuke avond heeft gehad, dan wil hij misschien nog een keer afspreken. 

Geachte aanwezigen, zo geef je een geweldige speech

Als auteur moet je niet alleen boeken kunnen schrijven, maar ook speeches. Minimaal een, voor je boekpresentatie. En misschien wel twee, voor de dag dat je er een prijs mee wint. Zo doe je dat.

Vind je het eng om een speech te geven? Waarschijnlijk is je angst het gevolg van een denkfout: je denkt dat het succes van een speech vooral afhankelijk is van jouw presentatievaardigheden, maar volgens mij is dat niet waar. Ik denk dat de kwaliteit van de tekst die je uitspreekt veel belangrijker is. 

Als je een interessante tekst hebt geschreven, dan kun je er volgens mij bij staan als een hark, en toch een warm applaus krijgen. Ik ben het levende bewijs. Als ik op het podium stap en het woord neem, zie ik mensen spontaan gapen, kennismaken met hun buren en hun telefoon pakken. Maar als ik eenmaal onderweg ben met mijn verhaal, dan weet ik toch de aandacht te trekken, en vroeg of laat zie ik mensen zelfs glimlachen. Dus als ik het kan, dan kun jij het ook. 

Begin met het schrijven van je speech. Hier gaat het bij de meeste sprekers direct mis: ze denken dat ze zo verbaal begaafd en intelligent zijn dat ze ter plekke een informatieve, goed gestructureerde en leuke speech kunnen geven. Dat kunnen ze niet. Een goede speech is vooraf tot in detail uitgeschreven en kritisch herschreven. Vorig jaar was ik aanwezig bij een evenement waar een bekende Nederlander uit de losse pols een speech gaf. Zijn presentatie was tenenkrommend. Iedereen was gefascineerd door zijn verbale vuurwerk en zijn weidse armgebaren, maar zijn verhaal was onnavolgbaar. Na het applaus vertelden meerdere mensen mij dat ze er niets van hadden begrepen. 

Het schrijven van een speech is voor jou gelukkig een peuleschil. Je hebt net een boek geschreven, dus een speech zou je in een handomdraai moeten kunnen schrijven. Ik vind dat een speech niet langer dan vijf tot vijftien minuten zou mogen duren, dus qua omvang heb je niet meer nodig dan een paar paragrafen en hooguit een hoofdstuk tekst. Aan de slag.

Simpel is het sleutelwoord

Nog meer dan voor andere teksten geldt voor een speech dat je het eenvoudig moet houden. Bedank het publiek voor zijn aanwezigheid. Vertel waarom je het boek hebt geschreven. Vertel waar je boek over gaat. Vertel wat het boek voor lezers kan betekenen. Bedank de mensen die aan het boek hebben meegewerkt. Bedank het publiek nogmaals voor zijn aanwezigheid. Dat is alles. Simpel is het sleutelwoord: gebruik geen moeilijke woorden, presenteer geen saaie feiten en vertel geen flauwe anekdotes. 

Begrijp me niet verkeerd, heb je een interessante anekdote die jouw visie verduidelijkt, gebruik ‘m dan. Heb je vijf indrukwekkende feiten, licht die dan toe. Ik heb niets tegen een meeslepend verhaal boordevol indrukwekkende feiten en grappige anekdotes, maar als je niets wereldschokkends of grappigs te vertellen hebt, doe het dan ook niet. Gedraag je niet als die achteroom die zichzelf zo grappig vindt en niet doorheeft waarom de stoel naast hem altijd vrij blijft. Volgens mij moet je als auteur niet streven naar eeuwige roem met een speech van vijf minuten. Ik hoor elk jaar veel goede speeches. Eerlijk gezegd ben ik ze allemaal vergeten. Wat ik me wel herinner, zijn de slechte speeches van sprekers die zich duidelijk hadden voorgenomen om te gaan scoren en zichzelf voor gek zetten. Doe het niet, kies voor de vergetelheid en geef de speech waar mensen op zitten te wachten: begrijpelijk, herkenbaar en kort. 

Het is de bedoeling dat het moeilijk is om een boek te schrijven

Loop je vast tijdens het schrijven van een boek? Mooi, dan ben je op de goede weg. Zonder lijden geen boek. 

Ons leven wordt steeds makkelijker. Een robot maait het grasveld in je tuin. Een reisbureau regelt een avontuurlijke reis naar IJsland. Een fietskoerier brengt je ‘s avonds om half twaalf een bak lactosevrije biologische kwark. Het is moeilijk te weerstaan. Zelf maak ik ook dankbaar gebruik van allerlei gemaksdiensten en -producten. Maar ik denk niet dat wij mensen ervoor gemaakt zijn. Mensen zijn gebouwd om moeilijk te doen. We hebben benen gekregen om te lopen, niet om de hele dag op een bureaustoel te zitten. We hebben hersens gekregen om na te denken, niet om prompts te schrijven voor ChatGPT. Een lui bestaan heeft ontegenzeglijk aantrekkelijke kanten, maar volgens mij mist het de uitdaging die je nodig hebt om je een volwaardig mens te voelen. De Amerikaanse hoogleraar rechten Tim Wu noemt dit de tirannie van het gemak. In een essay in The New York Times betoogde hij dat we ons vergissen als we aannemen dat gemak altijd goed is. Integendeel: ‘Met zijn belofte van vlotte, moeiteloze efficiëntie dreigt gemak de strijd en de uitdagingen weg te vagen die het leven zin geven.’ Ik ben het met hem eens. Moeilijk doen is op diep menselijke manier bevredigend, of je nou een boom omhakt of een cryptogram oplost. Of een boek schrijft. 

De illustere singer-songwriter Nick Cave ging deze winter nog een stap verder in een gepassioneerde brief die hij publiceerde op zijn website. Hij verzette zich tegen songs die door ChatGPT worden geschreven, bijvoorbeeld in-de-stijl-van-nick-cave. Hij vond de teksten waardeloos, en hij snapt ook wel waarom. Kunstmatige teksten missen volgens hem de ziel die door mensen geschreven teksten kenmerken. ‘Songs komen voor uit lijden,’ schrijft Cave, ‘en daarmee bedoel ik dat ze gebaseerd zijn op de menselijke strijd van creatie (…) en voor zover ik weet, voelen algoritmes niet. Gegevens lijden niet. ChatGPT heeft geen innerlijk wezen, het is nergens geweest, het heeft niets doorstaan, het heeft niet het lef gehad om voorbij zijn beperkingen te reiken.’

Als het makkelijk was, dan schreef je lezer het boek zelf wel

Schrijvers vertellen me soms dat het niet meevalt om een boek te schrijven. Informatie verzamelen, een heldere structuur bedenken, zinnen formuleren: ze vinden het een heel gevecht om hun boek tot een goed einde te brengen. Dan leg ik ze uit dat het juist de bedoeling is dat het moeilijk is. Zonder jouw inspanning zou het resultaat minder waarde hebben, sterker nog: zonder jouw inspanning zou het resultaat er niet eens zijn. 

Een lezer kan je boek slechts consumeren, jij hebt het boek gefabriceerd en de waarde daarvan kun je moeilijk overschatten. Ga maar na: wie is er het gezondst, de fietskoerier die de kwark bezorgt, of de consument die de kwark consumeert? In mijn ogen wint de fietskoerier. Het schrijven van een boek is een creatief proces dat de inspanning meer dan waard is. Dankzij die inspanning ben je topfit en tot veel meer in staat dan louter het schrijven van dat ene boek. De volgende dag schrijf je moeiteloos een rapport of een blog, geef je een presentatie of een indrukwekkend advies – allemaal doordat je dankzij het schrijven van een boek tot nieuwe inzichten bent gekomen, scherper hebt leren denken en formuleren.

Het schrijven van een boek is moeilijk. Als het makkelijk was, dan schreef je lezer het boek zelf wel. Maar de lezer heeft geen tijd, geen energie en geen zin en betaalt daarom liever vijfentwintig euro om snel en moeiteloos dezelfde inzichten te verkrijgen. Wees echter niet jaloers op zijn gemak, medelijden is meer op zijn plek: bedenk wat de lezer allemaal heeft gemist. Geniet bovendien van het feit dat je met je publicatie zo veel mensen een plezier kunt doen. Dat geeft een ‘helper’s high’: een positieve emotionele staat, veroorzaakt door de afgifte van endorfines in je hersenen. Het is vergelijkbaar met het gevoel van euforie dat de fietskoerier heeft als hij weer een bak kwark heeft bezorgd. Een gevoel van geluk, tevredenheid en verbondenheid met anderen. Allemaal dankzij het schrijven van een boek. 

Zo krijg je meer recensies over je boek

Wacht niet tot mensen spontaan over je boek gaan schrijven, maar stimuleer ze actief om een recensie te schrijven. Zeven tips voor meer recensies.

Waarom koopt iemand jouw boek? Volgens mij zijn er maar drie redenen die ertoe doen. De eerste reden is dat hij jouw tante is. Jouw tante was niet uitgenodigd voor de boekpresentatie, maar ze kan zich nog levendig herinneren wat een schattig kind je was. En zo pienter ook. Nu heb je zelfs een boek geschreven, ze heeft het eigenlijk altijd geweten. Ze bestelt meteen drie exemplaren. De tweede reden is dat de koper een recensie over jouw boek heeft gelezen. De derde reden is dat de koper een cadeau nodig heeft voor de verjaardag van zijn buurvrouw. Jouw boek heeft wel een leuke cover en kost net geen vijfentwintig euro, dus doet u mij die dan maar. 

Dit klinkt onwetenschappelijk, maar uit alle onderzoeken blijkt dat dit de drie belangrijkste aanleidingen zijn voor mensen om een boek te kopen: de koper is geïnteresseerd omdat hij de auteur kent, omdat hij een positieve recensie heeft gelezen of het is een impulsaankoop. De aanleiding waarop je als auteur de meeste invloed kunt uitoefenen is natuurlijk de recensie. 

Jarenlang was de werkwijze om recensies te krijgen eenvoudig. De uitgeverij stuurde persberichten en exemplaren van je boek naar de redacties van kranten en tijdschriften en vroeg of laat verschenen er altijd wel enkele besprekingen. Die tijd is voorbij. Zowel het aantal titels als het aantal (digitale) media is geëxplodeerd. Er zijn nog altijd duizenden kranten en tijdschriften, maar ook tienduizenden online platforms, bloggers, vloggers, podcasts, booktokkers, influencers, streamers, online forums en nieuwsbrieven. En al die media moeten niet alleen schrijven over boeken en het dagelijks nieuws, maar ook over zichzelf. Zie er maar eens tussen te komen. Zeven tips om dit toch voor elkaar te krijgen. 

Als mensen je boek niet kennen, dan kunnen ze er ook niet over schrijven

Ik sprak een auteur die een boek had geschreven over Elon Musk. Toen hij tijdens een straatinterview willekeurig mensen aansprak, bleken de meesten nooit van Musk te hebben gehoord, laat staan dat ze het boek kenden. Met andere woorden: ga er nooit vanuit dat mensen weten wie je bent en waar je boek over gaat. Ga er juist vanuit dat niemand jou kent en dat niemand jouw boek kent. Stuur (informatie over) je boek naar iedereen waarvan je wilt dat ze je boek bespreken. Stuur je tien verzoeken? Ga er dan vanuit dat hooguit één ontvanger op je verzoek ingaat. 

Richt je niet alleen op de gevestigde orde

De belangrijkste roddeljournalisten van ons land waren altijd journalisten van een krant als De Telegraaf of een tijdschrift als Privé. Nu is de bekendste roddeljournalist een vlogger op een juicekanaal. Met andere woorden: richt je niet alleen op de gevestigde orde als je een boodschap wilt verspreiden. Een aardrijkskundeleraar uit Almere kan met zijn blog meer mensen bereiken dan een hoogleraar van een gerenommeerd onderzoeksinstituut. Zoek niet alleen mensen die verstand van zaken hebben, maar ook mensen met een groot bereik. 

Schakel je eigen netwerk in

Auteurs vergeten om de meest voor de hand liggende recensenten in te schakelen: de mensen in hun directe netwerk, zoals familie, vrienden, collega’s, vakgenoten, studiegenoten, studenten en buren. De collega die jij vorige week hebt geholpen met een lastige klus is waarschijnlijk eerder bereid om een positieve recensie te schrijven over je boek dan de journalist van het vaktijdschrift die nog een paar honderd ongelezen persberichten in zijn mailbox heeft zitten. 

Een aanbeveling is ook een recensie

Ik snap dat je droomt over een uitgebreide analyse van je boek door een expert die jouw kennis op waarde kan schatten. Voor de verkoop kan een laagdrempelige aanbeveling van een lezer op bol.com of managementboek.nl effectiever zijn: ‘Knap hoe zij dat allemaal beschrijft. Aanrader.’

Maak het persoonlijk

Omdat het gros van de mensen die je benadert geen professional is, is het extra belangrijk dat je informele omgangsvormen hanteert. Je kunt de redactie van een tijdschrift zorgeloos op een formele manier informeren over jouw boek: ‘Ik heb een boek geschreven over oogknipperen. Door ons toenemende schermgebruik knipperen we steeds minder, wat slecht is voor onze ogen.’ Ga niet slijmen bij een journalist, want dat werkt averechts, hij bepaalt graag zelf of hij geïnteresseerd is. Bij een niet-deskundige blogger moet je een andere aanpak kiezen: je zult hem of haar actiever moeten overtuigen. Leg extra goed uit waarom het interessant is voor hem en voor zijn publiek – en nog belangrijker: vraag of hij er aandacht aan wil besteden. Niemand geeft je morgen een cadeau als men niet weet dat je dan jarig bent. 

Geef het goede voorbeeld

Ga op zoek naar mensen die over je boek willen schrijven en spreken, maar vergeet niet om er zelf ook over te schrijven en te spreken. Schrijf blogs op LinkedIn, deel nieuwtjes via Instagram, plaats presentaties op YouTube en organiseer een gratis workshop. En vergeet niet om steeds een call to action toe te voegen: ‘Ik zou het geweldig vinden als je een recensie over mijn boek wilt schrijven. Ik ben benieuwd wat je ervan vindt.’ 

Doe het zelf

Het is niet geloofwaardig om recensies over je eigen boek te schrijven, maar er zijn wel mogelijkheden om recensies te organiseren. Een effectieve en makkelijke manier is crosspromotie: stel een schrijver in jouw vakgebied voor om een recensie te schrijven over elkaar boek. Wat ook goed werkt is om lezers van je nieuwsbrief of andere mensen waarvan je zeker weet dat ze tot je lezersgroep behoren te vragen of ze in ruil voor een gratis exemplaar een recensie willen schrijven. Krijg je echt geen recensie in de lucht, overweeg dan om een schrijver in te huren om een recensie te schrijven en publiceer deze bijvoorbeeld op je eigen website. 

‘Hoe kijk jij er tegenaan?’

Ben je bezig met de research van je nieuwe boek? Vergeet dan niet om andere mensen om advies te vragen. Het is moeilijk voor te stellen, maar vaak hebben andere mensen ook goede ideeën. 

Als ik spreek met uitgevers, drukkers, boekverkopers en andere vakgenoten weten zij tot mijn grote verbazing altijd dingen die ik niet weet, en verrassen ze me met originele visies. Dan kijk ik boos in de spiegel, en zeg dan tegen mezelf dat ik niet zo zelfgenoegzaam moet zijn. Al is het natuurlijk heel menselijk om te denken dat je het allemaal wel weet. Je raakt na verloop van tijd vertrouwd met je eigen gedachten en je kunt je amper voorstellen dat andere mensen anders denken. 

Openstaan voor de ervaringen en visies van anderen is altijd waardevol, maar dat is het zeker als je een boek gaat schrijven. Voor de broodnodige research is het de moeite waard om erover te gaan praten met vakgenoten die nieuwe feiten en visies kunnen delen. Ga ook met ervaringsdeskundigen praten. Als je een boek over leiderschap schrijft, is het goed om met leidinggevenden te praten. Hoe kijken zij aan tegen jouw visie? Wat zijn hun ervaringen als leidinggevende? Wat zijn hun angsten, frustraties en verwachtingen? Je zult versteld staan over hun inbreng. 

Laaghangend fruit

Toen ik nog werkte als journalist en me verdiepte in een nieuw onderwerp, ging ik altijd in twee fasen met deskundigen spreken. Voordat ik me ging inlezen in het onderwerp, sprak ik met enkele mensen die wel verstand hadden van zaken, maar niet tot de crème de la crème behoorden in hun vakgebied. Ik belde dan niet met een ervaren politicus of een hoogleraar, maar bijvoorbeeld met een junior onderzoeker van een wetenschappelijk instituut. Van hen probeerde ik een indruk te krijgen van wat er allemaal speelde. Pas als ik me zo een grof beeld had gevormd, ging ik me inlezen. En pas daarna ging ik praten met de echte experts en ervaringsdeskundigen. Ik werd serieus genomen omdat ik verstand van zaken had (of leek te hebben). Omdat ik de juiste vragen kon stellen, kreeg ik ook betere antwoorden. Ik denk dat deze werkwijze ook goed werkt als je een boek gaat schrijven. Begin met het plukken van het laaghangende fruit en klim daarna steeds hoger in de boom. 

Dommer dan je bent

Bereid je zo goed mogelijk voor op een gesprek. Bedenk interessante vragen. Zorg ervoor dat het vragen zijn die je gesprekspartner stimuleren om hun verhaal te vertellen. Je natuurlijke neiging is om bevestiging te zoeken van je eigen visie, maar daar heb je natuurlijk geen bal aan. De kunst is om nieuwe dingen te weten te komen. Dit betekent ook dat je vooral goed moet luisteren als je met mensen praat. Probeer geen wit voetje te halen met eigenwijze vragen en opmerkingen, doe je liever dommer voor dan je bent. De meeste mensen kunnen het erg waarderen dat je geïnteresseerd bent en de indruk wekt minder te weten, dat is voor hen een aansporing om je eens precies te vertellen hoe het zit – en dat is precies wat jij nodig hebt: nieuwe feiten, andere ideeën. 

  • 1
  • 2